|
|
|
Homepage > Lichthinder > Schakelprogramma's |
|||
|
Schakelprogramma's Vraag: Is het nuttig om vanuit de gemeente de vraag te richten naar de netbeheerder voor minder branduren van de openbare verlichting. Het is nuttig om de openbare verlichting te doven tijdens de stille uren, wanneer er weinig mobiliteit is of - in het geval van monumentverlichting - weinig toerisme. Ook kan het nuttig zijn om in het buitengebied deze maatregelen te treffen.
Verlichtingsprogramma’s Er zijn verschillende schakelregimes. In het algemeen kunnen de volgende genoemd worden:
In Limburg zorgde Interelectra in het kader van de REG - acties voor een avond - en een nachtregime. Tijdens het avondregime branden alle lampen en tijdens het nachtregime wordt de helft uitgeschakeld (om de andere lamp).
Monumentverlichting volgt best een AV-regime. Als er weinig mensen op straat zijn mag deze verlichting gedoofd worden en ’s ochtends hoeft ze niet opnieuw te branden omdat niemand er dan oog voor heeft. Qua straatverlichting kan men een AV-regime toepassen op wegen met heel weinig verkeer.
Verder kan ook bekeken worden of de intensiteit op een bepaald uur verlaagd kan worden. Dit wordt ook wel omschreven als dimmen. Door de lichtintensiteit te verlagen daalt ook de lichtvervuiling in dezelfde verhouding. De daling in energiebesparing is wel niet evenredig met de daling in lichtintensiteit. Een heel belangrijk voordeel is hier dat de uniformiteit er niet op achteruitgaat. Een gelijkmatig verlichtingsniveau is dikwijls aangenamer en veiliger dan een afwisselende verlichtingssterkte op de weg. Het beste systeem om dit op te vangen is dimming. Hierbij bespaart men ook energie (bv. 30% energie bij 50% minder licht).
Een goede waarnemingskwaliteit wordt bereikt wanneer er een gelijkmatig verlichtingsniveau aanwezig is over de lengte van de weg. Bij hoge uniformiteit of gelijkmatigheid mag het verlichtingsniveau zelfs dalen voor een even goede waarnemingskwaliteit.
Het laatste verlichtingsprogramma is op een bepaald uur de helft van de lichten doven. Hiermee wordt van het gehele verlichtingspark van een gemeente, maar de helft van de elektriciteit gebruikt. Een nadeel is dat tussen de brandende lichten donkere plaatsen ontstaan. Hierdoor moeten de automobilisten hun ogen steeds aanpassen van licht naar donker en omgekeerd.
Er moet dus goed bekeken worden of de verlichtingskwaliteit niet te sterk daalt wanneer één lamp op twee lampen worden gedoofd. De donkere plekken mogen niet te lang worden, dan kunnen beter alle lampen gedoofd worden om de uniformiteit te bewaren. Een speciale toepassing hiervan is de ritsschakeling. Een proefproject op de autosnelweg E34 halveert vanaf 21u de verlichting, met behoud van veiligheid. Meer hierover lees je op www.lichthinder.be, onder ‘voorbeelden’. |