Milieublog archief

augustus 2016
juli 2016
juni 2016
april 2016
maart 2016
februari 2016
januari 2016
december 2015
november 2015
oktober 2015
september 2015
augustus 2015
juli 2015
juni 2015
mei 2015
april 2015
maart 2015
januari 2015
december 2014
november 2014
oktober 2014
september 2014
augustus 2014
juni 2014
mei 2014
april 2014
februari 2014
januari 2014
december 2013
november 2013
september 2013
augustus 2013
juni 2013
mei 2013
april 2013
maart 2013
februari 2013
januari 2013
december 2012
september 2012
augustus 2012
maart 2012
februari 2012
januari 2012
december 2011
november 2011
september 2011
juni 2011
mei 2011
april 2011
maart 2011
februari 2011
januari 2011
december 2010
november 2010
oktober 2010
september 2010
augustus 2010
juli 2010
juni 2010
mei 2010
maart 2010
februari 2010
januari 2010
december 2009
november 2009
oktober 2009
september 2009
augustus 2009
juli 2009
juni 2009
mei 2009
april 2009
maart 2009
februari 2009
januari 2009
december 2008
november 2008
oktober 2008
september 2008
augustus 2008
juli 2008
juni 2008
mei 2008
april 2008
maart 2008
februari 2008
januari 2008
december 2007
november 2007
oktober 2007
september 2007
augustus 2007
juli 2007
juni 2007
mei 2007
april 2007
maart 2007
februari 2007
januari 2007
december 2006
november 2006
september 2003

 

Milieublog

Home > Milieublog

Milieublog: laatste berichten

Share

Maak van de geldbazooka ook een klimaatbazooka

thema’sKlimaat & energie, Milieu & politiek

18/08
2016

Er is een economische transformatie nodig om de klimaatchaos af te wenden, en die start bij het integreren van klimaatdoelen in de machinekamers van de economie. Mathias Bienstman pleit voor een klimaatbazooka.

De wereld ligt ver uit koers om de 2 graden-doelstelling uit het klimaatakkoord van Parijs te halen (DS 17 augustus). De aarde nu al 1,3 graad warmer? Juli 2016 de warmste maand ooit? We halen er onze schouders over op.

De gevoeligheid van de publieke opinie is soms moeilijk te doorgronden. We zijn terecht geschandaliseerd als terreurorganisatie IS de historische site in Palmyra toetakelt en waardevolle monumenten vernietigt. Waar halen ze het om dit cultureel erfgoed van de mensheid doelbewust uit te wissen? Maar de vernieling door de klimaatverandering van een van de meest fascinerende en wondermooie ecosystemen van de planeet, de koraalriffen, veroorzaakt vooralsnog geen schokgolf in de publieke opinie (DS 20 april) . Nochtans is het zeker dat de riffen, zoals het Great Barrier Reef in Australië, ten dode zijn opgeschreven door de combinatie van stijgende temperaturen en de verzuring van de oceaan veroorzaakt door de menselijke CO2-uitstoot.

Lange tijd konden we de verantwoordelijkheid voor de klimaatverandering wat van ons afschuiven: het is allemaal niet zo zeker, iedereen is verantwoordelijk, alleen handelen helpt niet en er zijn geen alternatieven. Misschien is het daardoor dat we vinden dat er geen ‘daders’ zijn bij deze ecocide, het massaal uitroeien van soorten en ecosystemen. IS vernielt doelbewust. Wij allen zitten jammer genoeg vast in een systeem dat op fossiele brandstoffen draait.


Great Barrier Reef
Het klimaatakkoord van Parijs bezegelt een keerpunt. Wereldleiders aanvaarden de klimaatwetenschap en zien de verbranding van steenkool, olie en gas als de belangrijkste oorzaak van de opwarming van de aarde. Een klimaatvriendelijke economie is technisch haalbaar en economisch voordelig. De verantwoordelijkheden zijn duidelijk: ieder land moet zo snel mogelijk koers zetten naar een koolstofneutrale economie om de opwarming ruim onder de 2 graden te houden. Daarvoor moet het grootste deel van de gekende reserves aan fossiele brandstoffen onder de grond blijven. Als oliebedrijven zoals Shell geld blijven investeren in de zoektocht naar nieuwe fossiele bronnen, gaan ze in tegen de nieuwe, wereldwijde consensus. Ze worden dan ‘daders’ van de vernieling van natuurlijk erfgoed zoals het Great Barrier Reef.

Waarom koopt de Nationale bank van België net nú bedrijfsobligaties van Shell (zoals XS0428147093) met geld dat van de drukpersen rolt? Ze doet dat in het kader van het in juni opgestarte programma CSPP van de Europese Centrale Bank (ECB) om maandelijks voor miljarden euro’s bedrijfsobligaties op te kopen. Dat programma wil op onorthodoxe wijze extra geld in de economie pompen om de inflatie dichter bij de doelstelling van 2 procent te krijgen. Het is een verlengstuk van de veelbesproken monetaire bazooka die de ECB inzet om de eurocrisis te bezweren. Door bedrijfsobligaties op te kopen, verlaagt de rente op die schuldinstrumenten. Een neveneffect is dat het voor Shell nu minder kost om op zoek te gaan naar nieuwe olie. Of hoe het monetair beleid het klimaatbeleid tegenwerkt.


Klimaatbazooka
In vergelijking met het opkoopprogramma van bedrijfsobligaties door de nationale banken is het geld dat onze overheden investeren in de klimaatvriendelijke economie klein bier. Het grote geld vloeit naar de 2 procent-doelstelling, het kleine naar de 2 graden-doelstelling. Het is een illustratie van de uitdaging waar we voor staan.

De strijd tegen de klimaatverandering moet nog geïntegreerd worden in de machinekamers van de economie. Hoe ziet zo’n klimaatbazooka eruit? Hier slechts enkele voorbeelden om een idee te geven van het debat dat we dringend moeten voeren. Een verbod voor financiële instellingen op investeringen in de fossiele sector. Geen toegang tot de Europese markt voor producten uit landen zoals de Filipijnen of de VS onder Trump die onvoldoende klimaatinspanningen leveren. Indien nodig gratis geld van de ECB voor klimaatoplossingen... Door het bancair, handels- en monetair beleid ook te richten op de klimaatdoelen, zal de uitbouw van een klimaatvriendelijke economie de noodzakelijke versnelling krijgen.

reacties2 reacties

aanpasdatum18 augustus 2016 | Mathias Bienstman

Hybridewagen kan klimaatbelofte waarmaken, mits juiste maatregelen

thema’sNaar hernieuwbaar, Verkeer, Klimaat & energie, Milieu & politiek

11/08
2016

De verkoop van plug-inhybrides neemt toe. Dat zou leiden tot een vergroening van het wagenpark, klinkt het, maar dat is niet noodzakelijk zo. Omdat in een hybrideauto zowel een verbrandings- als een elektromotor zit, hangt zijn ‘groene bijdrage’ helemaal af van de manier waarop hij gebruikt wordt. De top drie van verkochte modellen ziet er alvast niet al te groen uit: de Volvo XC90, de BMW X5 en de Porsche Cayenne. De elektromotor van deze SUV’s heeft een beperkte autonomie: 30-40 km. Terwijl in januari van dit jaar 28 procent meer volledig elektrische wagens werden ingeschreven dan in januari 2015, explodeerde de verkoop van hybrides in dezelfde periode met 226 procent.

Papier vs. realiteit
Het is een goede zaak dat de overheid met fiscale sturing een bepaald aankoopgedrag wil stimuleren, want zo vergroent het wagenpark sneller. Maar is dit de vergroening die de fiscale sturing nastreeft? Het is bovendien geweten dat de uitstoot van een wagen - die de basis vormt voor de belasting op inverkeerstelling en de jaarlijkse verkeersbelasting - op papier niet altijd overeenkomt met de realiteit.

Haal de 'valse hybrides' eruit
Een nauwkeurigere opvolging dringt zich op. Zo is er nood aan accuratere Europese testen waarbij de uitstoot van broeikasgassen en schadelijke stoffen wordt gemeten in rijomstandigheden op de weg en niet enkel in het laboratorium. Op die manier verhinderen we dat het kind met het badwater wordt weggegooid. Het merendeel van de burgers schaft bewust een hybridewagen aan om ecologische redenen en om het brandstofverbruik te drukken. Een fiscale aanmoediging kan hen overtuigen om de aankoop te doen. Minimale prestaties van de wagen zoals de beperkte autonomie van de elektromotor rechtvaardigen die beloning. Maar we moeten de ‘valse hybrides’ eruit halen. Het lijkt nu alsof de modellen specifiek voor de Belgische en Nederlandse markt ontwikkeld zijn om van het fiscale voordeel te genieten.

Weg met de tankkaart
Daarnaast is een hybridewagen in combinatie met een onbeperkte tankkaart een vrijgeleide om de elektromotor te laten voor wat die is. De beleidsmaker grijpt dit euvel het best aan om een einde te maken aan die tankkaart. Als de werkgever alleen de tankkosten voor het woon-werkverkeer terugbetaalt, is de keuze welke motor te gebruiken snel gemaakt. Dan staat de wagengebruiker zelf in voor de kosten van zijn privévervoer. Conclusie: alleen door betere monitoring van het eigenlijke gebruik en de afschaffing van de tankkaart kan de plug-inhybride zijn klimaatbelofte waarmaken.

reactiesreageer

aanpasdatum11 augustus 2016 | Jonathan Lambregs

Waardeloze voeding: de prijs van het landbouwbeleid?

thema’sLandbouw

20/07
2016

Boerenbond pleit in een campagne voor een beter loon voor de boer. Ze vonden een treffend voorbeeld: een maaltijd van onze hond of kat kost algauw meer dan die van onszelf, zo laag zijn de voedingsprijzen. Maar een échte oplossing biedt Boerenbond niet. Ze legt de verantwoordelijkheid bij diegenen die het minst vat hebben op de huidige landbouwcrisis: de consumenten. Nochtans is het een radicaal ander Europees landbouw- en voedselbeleid dat we nodig hebben.

Veel hoef je niet van economie te begrijpen om de landbouwcrisis te vatten. Eén: als de productie van landbouwproducten zoals vlees hoger is dan de vraag ernaar, dan dalen de prijzen. Twee: wanneer exportmarkten zoals Rusland wegvallen, daalt de vraag en de prijs nog verder. Drie: enkel wie het goedkoopst produceert, overleeft. In 2015 gingen in Vlaanderen de helft meer landbouwbedrijven failliet dan het jaar voordien. De overblijvers zetten in op schaalvergroting en kostprijsdalingen.

Landbouwministeries en -organisaties spiegelen landbouwers al decennia lang voor dat ze bij de winnaars kunnen horen. Door schaalvergroting en technologische voorsprong zullen zíj het goedkoopst kunnen produceren, de lokale markt domineren en een deeltje van de exportmarkten veroveren. Resultaat: de landbouw produceert steeds meer, de overschotten stapelen zich op en de prijzen zijn historisch laag. Terwijl boeren elkaar doodconcurreren, komt er voor een paar euro een biefstuk op het bord.

Is medelijden genoeg?
Maar kan de consument daar veel aan doen? Kunnen we simpelweg meer betalen uit medelijden met de landbouwer, die zwoegt voor geen geld? Fair trade ontstond uit een gelijkaardig ongenoegen over de destructieve keerzijde van de landbouwmarkt: we betalen wat meer zodat de landbouwer in het Zuiden een eerlijk inkomen krijgt. Wanneer niet enkel de koffieteler in Mexico maar ook de varkensboer in Vlaanderen fair trade nodig heeft om te overleven, moeten de alarmbellen opnieuw gaan rinkelen.  Ons goedkope voedsel komt met een hoge menselijke prijs.

Betere prijzen voor landbouwproducten komen er in een markt slechts als de vraag stijgt of het aanbod daalt. Het eerste is niet wenselijk: we eten al ongezond veel dierlijke producten. Een daling van het aanbod, bijvoorbeeld via een warme sanering die de overproductie aanpakt, zou de prijs  kunnen stutten op een mindere dramatische wijze dan de huidige koude sanering via falingen. Maar zo’n noodoplossing verandert de fundamentele malaise in de landbouw nog niet.

Laatste dominosteen
Wie beter kijkt, merkt immers dat niet alleen de landbouwer wankelt onder de prijzendruk. Hij is slechts de laatste dominosteen die dreigt te vallen. Industrieel dierenleed, bovenmatig antibioticagebruik, vervuilde bodems en rivieren, obesitas en welvaartsziekten,  een verschraald landschap en tanende biodiversiteit, het verdwijnen van de lokale cultuur enzovoort. Het lijstje is gekend. Het zijn allemaal effecten van de druk vanuit de markt om goedkoper te produceren. Al die problemen verdwijnen niet wanneer we de boer wat meer betalen. Daarvoor moeten we het landbouwbeleid op een andere leest schoeien zodat het de negatieve aspecten van de marktwerking niet uitvergroot, maar net tegengaat.

Het huidige Europese Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) slokt 40 procent van alle Europese middelen op, of een slordige 60 miljard euro per jaar. Maar de landbouw hinkt van crisis naar crisis. In 2020 bereikt het GLB de gezegende leeftijd van 58 jaar. Het loopt dan af en mag op vervroegd pensioen, want we hebben nood aan iets radicaal anders. Daarbij moeten de overheidssturing en -middelen de verschillende maatschappelijke waarden van de landbouw en voeding beter erkennen en stimuleren.  

Aan landbouwzijde waarderen we dan beter de maatschappelijke functies van de landbouw en landbouwer: een mooi landschap, een gezonde bodem, een hoge biodiversiteit of minder broeikasgassen zijn net zo belangrijk als voldoende productie. Ze verdienen impulsen vanuit de overheid. We kunnen ze niet enkel aan de markt overlaten.

Van foodies tot grootkeuken
Aan de voedingszijde ontwikkelen we een visie en strategie die verdergaat dan voedselzekerheid aan de laagst mogelijke prijs. Daarbij richt het beleid zich op gezondheid, kwaliteit, meer plantaardige voeding, de voedingscultuur en meer. Het hele voedingsgebeuren van de foodies over de horeca tot de grootkeukens in ziekenhuizen of scholen heeft nood aan een hedendaagse visie. Het Europees landbouwbeleid geeft momenteel veel te enge impulsen die in de praktijk neerkomen op het creëren van een afzetmarkt voor voornamelijk dierlijke producten. 

Er loopt geen eenvoudige uitweg voor de huidige landbouwcrisis langs de betalingsbereidheid van de consument. Ze vergt een nieuw samenspel tussen markt en (Europees) landbouwbeleid om in te spelen op hedendaagse uitdagingen. Het loon naar werken dat de landbouwer daarbij terecht vraagt, komt dan in wisselende verhoudingen deels vanuit de markt en deels vanuit publieke middelen als de creatie van maatschappelijke meerwaarde is gegarandeerd.


> Nieuwsbrief EEB, ‘A Sustainable Future for Farming’: 
http://www.eeb.org/index.cfm/library/meta-80-july-2016

reactiesreageer

aanpasdatum20 juli 2016 | Mathias Bienstman

Wind op zee in woelige wateren

thema’sKlimaat & energie

3/06
2016

7 jaar moesten we wachten op een Belgisch klimaatakkoord. Nu, vijf maanden later, brengt de federale minister van Energie Marie-Christine Marghem (MR) het al in gevaar. Ze brak op de valreep de onderhandelingen open over de overheidssteun voor twee nieuwe windparken op zee, Rentel en Norther. De investeerders dreigen ermee af te haken. De projecten zullen zo goed als zeker vertraging oplopen. Dat is slecht nieuws: het behalen van de federale doelstellingen voor hernieuwbare energie komt ermee in gevaar.

De talmende minister

Althans, daarvoor waarschuwt de sector voor offshore windenergie. Die stelt dat het installeren van de voorziene 2.200MW windenergie tegen 2020 moeilijk wordt. “In de sector gelooft niemand dat het nog mogelijk is om de vijf windmolenparken tegen 2020 operationeel te hebben. De reden is de aanhoudende onduidelijkheid over het subsidiekader”, schreef De Standaard op 30 mei. Minister Marghem talmt al maandenlang met het indienen van de wetteksten voor de nieuwe subsidieregeling voor windparken.

Cruciale investering

Investeren in wind op zee is cruciaal om de energietransitie naar bijna 100% hernieuwbare energie mogelijk en betaalbaar te maken. Door de parken te bouwen leren de ontwikkelaars en financierders bij en kunnen de kosten dalen. Wind op zee staat uit het zicht, neemt geen schaarse ruimte op land in en de steeds grotere turbines halen een maximum aan energie uit de wind. Europa en België zijn een voorloper in deze technologie: hierdoor dingen onze bedrijven vaak mee voor contracten in het buitenland. De bouw van een windpark van 300MW zoals dat van Rentel is al snel goed voor 3.000 directe en indirecte jobs.

Maar wind op zee is momenteel ook de duurste hernieuwbare energiebron die steun ontvangt. De voorziene steun is goed driemaal de huidige elektriciteitsprijs. De subsidie kost ongeveer 90 à 110 euro per MWh (138 euro min de marktprijs voor elektriciteit) en ligt daarmee in de grootte-orde van de gegarandeerde elektriciteitsprijs voor nieuwe kerncentrales zoals Hinkley Point in Groot-Brittannië. Het grote verschil tussen wind- en kernenergie is echter dat de eerste in de loop der jaren goedkoper wordt en de tweede duurder.

Waarom die vertraging?

De teksten voor de subsidieregeling van de nieuwe parken blijven uit omdat de minister, daartoe ook aangepord door Open VLD, op het laatste nippertje de steun voor wind op zee wil verlagen. Nochtans is er vorig jaar al een nieuwe regeling met de sector onderhandeld. In nasleep van de discussies over de energieheffing (de ‘Turteltaks’) stelt minister Marghem nu dat ze een nieuw debacle wil vermijden.

Doorlichtingen van de CREG leren nochtans dat windenergie op zee tot nu toe niet te veel subsidies kreeg. Voor de twee parken die in 2016 hun financiering met de banken moeten afronden - eerst Rentel en dan Norther - is er wel al een klein verschil van enkele procenten tussen de productiekost van elektriciteit met het vooropgestelde rendement en de voorziene vergoeding (subsidies + elektriciteitsprijs). De productiekost valt iets lager uit dan in het verleden door de lagere financieringskosten, dit is door de gedaalde marktrente.

Een andere oplossing

Intussen besliste de regering om de kerncentrales Doel 1 en 2 langer open te houden. Dit veroorzaakt niet alleen te veel elektriciteit, maar ook nog lagere prijzen op de groothandelsmarkten van elektriciteit. Dit heeft ook een impact op de nood aan subsidies: hoe lager de elektriciteitsprijs, hoe meer subsidies nodig zijn om windturbines rendabel te krijgen.

Een daling van de stroomprijs van 10 euro per MWh - zoals bij het heropenen van alle kerncentrales- betekent in het huidige subsidiemechanisme dat er ongeveer 70 miljoen euro meer nodig is per jaar voor alle geplande windparken, of haast 1,5 miljard euro over de hele subsidieperiode. Hetzelfde probleem stelt zich voor andere technologieën zoals wind op land of gascentrales. Er is dus ook een andere manier om de subsidiekost te verlagen: overbodige kerncentrales sluiten.

Strijdvlag vs. realiteit

Toch loont het steeds de moeite om nauwkeurig door de cijfers van de windparken te gaan en de marges te onderzoeken. Maar dat moet tijdig en op een voorspelbare wijze gebeuren, zodat de investeringszekerheid voor die cruciale projecten niet in gevaar komt. Nu zet de minister - en bij uitbreiding de federale regering - de investeringszekerheid en het behalen van de klimaatdoelstellingen op het spel. Dat kan niet de bedoeling zijn. Het lijkt er zelfs steeds meer op dat achter de vlag van de strijd tegen oversubsidiëring belangengroepen schuilgaan die komaf willen maken met (enkele) windparken op zee.

Eerder dan investeerders in onzekerheid te storten, zou de politieke aandacht moeten gaan naar het oordeelkundig verdelen van de subsidiekost. Dat kan door vooreerst maximaal bestaande inkomsten te gebruiken, zoals die uit emissierechten en de nucleaire rente. Daarnaast zou de doorrekening van de overige kosten moeten gebeuren in de fossiele energiebronnen (stookolie en gas) of de algemene middelen, eerder dan in de elektriciteitsfactuur. Een doorrekening per energie-eenheid stimuleert daarbij minder verbruik en geeft de mogelijkheid om de kost af te bouwen.

Ten slotte zou de burger de mogelijkheid moeten krijgen om in het door de overheid vooropgestelde rendement te delen. Dat kan door rechtstreekse participatie toe te laten. Ook zijn heel wat aandeelhouders van windparken gemeenten of andere aan overheden verbonden structuren, waardoor een deel van de opbrengsten idealiter terugstroomt naar dienstverlening voor de burger.

Grijp de kans

Zo’n symbiose van industriële spelers die internationale referenties zijn dankzij hun trackrecord in de bouw van windparken op zee, en overheden en burgers die delen in het rendement, maakt van wind op zee een kansrijk industrieel project. Maar dan moet de federale regering wel snel voor duidelijkheid zorgen.

reactiesreageer

aanpasdatum3 juni 2016 | Mathias Bienstman

Klimaatbeleid niet langer laten kruipen maar leren lopen

thema’sNaar hernieuwbaar, Klimaat & energie

14/04
2016

De Vlaamse regering en het parlement buigen zich momenteel naar aanleiding van het klimaatakkoord in Parijs over het toekomstige klimaatbeleid.  Anno 2016 breken klimaatoplossingen massaal door. Duurzaam is niet langer duur. Maar onze overheden zullen zich moet reppen als ze klaar willen zijn voor de ontwrichting van de fossiele economie.

Een peuter leren we niet steeds beter kruipen. Nee, op een bepaald moment leert die lopen. En wat later zwemmen of fietsen. Zulke ontwikkelingssprongen zijn goed herkenbaar. Net door het oude in te wisselen voor het nieuwe, gaat er een betoverende wereld open.

Het klimaat- en energiebeleid staat nú ook voor zo een kwalitatieve sprong. De afgelopen 25 jaar verdween er in België bijna een vijfde van de vervuiling. Gebouwen, voertuigen of de industrie springen nu efficiënter om met fossiele brandstoffen. Ze blazen minder CO2 de lucht in. Dat is een goede zaak. Maar het volstaat niet langer.

In Parijs hebben de overheden zich ertoe geëngageerd om de vervuiling naar nul terug te brengen. Dat is nodig om klimaatchaos te voorkomen en het gevaar van de stijgende zeespiegel in te dijken. Nuluitstoot is niet haalbaar door fossiele brandstoffen steeds efficiënter te gebruiken. Dat is zoals een peuter aanleren steeds beter rond te kruipen op handen en knieën.  Nee, om het gebruik van steenkool, olie of gas te bannen, is er een sprong nodig. Of met een duur woord: systeeminnovatie.

Gelukkig is die systeeminnovatie in één sector - die van de elektriciteitsproductie - al volop aan de gang. Daardoor kunnen we er ons iets bij voorstellen. De elektriciteitsproductie evolueert van fossiele naar hernieuwbare energiebronnen. Vorig jaar is er wereldwijd meer geïnvesteerd in die schone bronnen dan in olie, gas of steenkool. Ze zijn immers steeds beter en goedkoper. Duurzaam is niet langer duur.

Maar om zo een hernieuwbaar energiesysteem te laten functioneren, zijn er ingrijpende aanpassingen nodig. Zowat alles moet anders. De elektriciteitsprijs en -vraag zullen het wisselend aanbod uit duizenden hernieuwbare bronnen volgen, de consument wordt producent, logge elektriciteitscentrales zijn passé en de infrastructuur van het elektriciteitsnet gaat op de schop. Alleen al die verandering van het elektriciteitssysteem is een hele boterham en zal verschillende decennia duren.

Maar na de elektriciteitssector, zien we nu de eerste tekenen van de ontwrichting of disruptie van de héle fossiele economie. Olie wordt het nieuwe roken. Elektrische, autonome en gedeelde mobiliteit zet het mobiliteitssysteem op z’n kop. Woningen worden zo energiezuinig dat ze amper nog stookolie of gas verbruiken. Zonneboilers en warmtepompen winnen aan populariteit. Miljoenen uitlaten en schoorstenen zullen uit het straatbeeld verdwijnen.

Momenteel is Vlaanderen een exportkampioen in fossiele brandstoffen en wagens met verbrandingsmotor. Die producten zullen het komende decennium in de verdrukking komen. Ondernemers en beleidsmakers gaan zich moeten reppen om het geweer van schouder te veranderen. De toekomstige welvaart van Vlaanderen hangt ervan af. In de autoindustrie komt de kentering al op gang. Maar voor iedere onderneming die vooruit wil in Vlaanderen, vind je er één die tegenwringt.

De benodigde systeemverandering vorm geven is geen sinecure. We hebben nog geen fractie gezien van de vele uitdagingen en moeilijkheden die zich zullen voordoen als we zo goed als alle energie in gebouwen, transport of industrie zonder broeikasgassen willen voorzien. Nochtans wil niet één vader of moeder dat z’n kleintje blijft rondkruipen omdat leren stappen niet zonder blutsen en builen kan. Al doende leert men. Dat is de enige weg vooruit.

Vóór 2020 moeten politici twee belangrijke stappen zetten. Enerzijds alle steun voor fossiel schrappen: van de verloning met wagens en diesel over de subsidies voor raffinaderijen tot het stookoliefonds. De zoektocht naar sociaal rechtvaardige en economisch zinnige alternatieven ligt open. Anderzijds, de bouwstenen aanbrengen voor een systeem dat de snelle groei van hernieuwbare warmte en elektrisch transport aankan. Het energiesysteem verandert in een grote werf. Het klimaat- en energiebeleid moet voor de oriëntatie en het draagvlak zorgen. Niet langer het bestaande beter doen, is de uitdaging voor onze beleidsmakers anno 2016. Wél radicaal inzetten op de uitbouw van een volledig hernieuwbare en circulaire economie.

reactiesreageer

aanpasdatum14 april 2016 | Mathias Bienstman

Europa heeft alles om een cleantech-held te worden. Waar wachten we nog op?

thema’sKlimaat & energie

25/03
2016

Investeren in onderzoek en ontwikkeling is de beste manier voor schone energie om de concurrentie aan te gaan met de fossiele concurrent. Dat is de conclusie van een recent verschenen rapport. Die investeringen zijn inderdaad broodnodig. Op papier heeft de EU al een belangrijk instrument om die groene industriële revolutie mee te financieren: het Europese emissiehandelssysteem. Alleen gebeurt dat in de praktijk niet. Hoe komt dat, en hoe kan Europa zich wel ontpoppen tot cleantechpionier?

In een recent verschenen rapport Transition to Clean Technology in het Journal of Political Economy, komen economen tot de conclusie dat onderzoek en ontwikkeling de beste remedie is tegen klimaatverandering. Uit het economisch model blijkt dat financiële steun het meest efficiënt is om de transitie van fossiele brandstoffen naar schone energie te versnellen.

Ondanks het feit dat hernieuwbare energie op verschillende energiemarkten goedkoper is dan haar vervuilende concurrent, kan de transitie een flinke duw in de rug gebruiken. De redenering die de onderzoekers maken is ook van toepassing op de transitie naar een koolstofarme industrie. Veel duurzame productiemethoden zitten verstopt in een nichemarkt en wachten ongeduldig op schaalvergroting.

Om de ontwikkeling van cleantech op kruissnelheid te brengen, zijn flinke investeringen nodig. Volgens de onderzoekers zijn overheidssubsidies de oplossing. In budgettair krappe tijdens is dat echter geen populair verhaal. Het Europees emissiehandelssysteem kan al een flinke duit in het zakje doen.

Voor elke ton CO2 die een bedrijf uitstoot, moet het onder het emissiehandelssysteem een recht aankopen. Die mogelijke extra kost stimuleert een bedrijf om te kiezen voor een duurzaam alternatief. Door efficiëntieverbeteringen of het toepassen van een koolstofarme productiemethode, stoot het bedrijf minder uit en hoeft het dus geen rechten aan te kopen. Daarnaast bespaart de onderneming zo ook op haar energiefactuur.

Er zit nog een andere bron van inkomsten in het emissiehandelssysteem. Het is de overheid die de emissierechten veilt aan bedrijven. Die inkomsten kan de overheid dus voor een groot deel inzetten om de nodige innovatie te stimuleren.

Allemaal mooi op papier, maar de realiteit is helaas anders. Door een enorm overschot in de Europese emissiehandelsmarkt is de prijs van een emissierecht gezakt tot onder de 5 euro. Er is dus geen enkel incentive voor de industrie om alternatieve, meer duurzame productiemethoden te overwegen.

Daarnaast zien overheden zich de mogelijke inkomsten voor effectief klimaatbeleid door de neus geboord. Om de Europese industrie te beschermen tegen een zogezegd  concurrentieel nadeel uit het buitenband krijgen de ondernemingen hun rechten gratis. Uit een recent rapport van Carbon Market Watch blijkt dat ze die gratis rechten in de praktijk niet nodig hebben, omdat hun productie flink is afgenomen. De industrie heeft de rechten die ze cadeau kreeg op de markt kunnen verkopen, de onbetaalde kost ervan doorgerekend aan de eindklant en goedkopere internationale rechten gebruikt om hun uitstoot te dekken. In totaal heeft de Belgische industrie 1,5 miljard verdient op kap van het klimaat.

Helemaal afvoeren dan maar, dat Europese emissiehandelssysteem? Neen: in theorie kan het prima werken. Als bedrijven zouden moeten betalen voor hun rechten, hadden ze de incentive om efficiënter te werken en had de overheid de extra inkomsten om in te zetten op de noodzakelijke cleantech-ontwikkeling.

Het systeem moet dus hervormd worden, zodat het ook in de praktijk deze incentive levert. Maar daarbij staat (vooral) Oost-Europa op de rem. Om zijn steenkooleconomie te beschermen roept Polen samen met de andere Visegrad-landen Hongarije, Tsjechië en Slowakije een ‘coalition of the unwilling’ in het leven. De groep gaat bij elke poging tot correctie van het systeem op de rem staan.

Nochtans zou een werkend emissiehandelssysteem de Europese industrie een ‘first mover advantage’ kunnen geven door volop over te schakelen op schone energie en cleantech. Europa zou een heuse groene industriële revolutie kunnen ontsteken. Alle wereldeconomieën zullen op een gegeven moment voor dezelfde uitdaging komen te staan: de uitstoot van CO2 in alle sectoren drastisch terugdringen. Als Europa nu de koe bij de horens vat, kan het in de nabije toekomst wereldwijd uitpakken met zijn cleantech.

reacties1 reactie

aanpasdatum25 maart 2016 | Jonathan Lambregs

Na de groei, eindelijk volwassen?

thema’sEconomie

17/03
2016

In het kader van de begrotingsbesprekingen komen er enkele ongemakkelijke waarheden over de economische groei aan de oppervlakte. Politici blijken er niet alleen weinig vat op te hebben. Het lijkt er ook op dat de groei per hoofd van de bevolking structureel in een dalende trend zit. Wat betekenen beide vaststellingen voor de milieubeweging, die al lang een debat over de wenselijkheid van economische groei voert?

België bepaalt zijn groei niet

België heeft een kleine, open economie. Keer op keer blijkt dat onze economische groei grotendeels bepaald wordt door evoluties in het buitenland, in de eerste plaats bij onze grootste handelspartner Duitsland. Telkens als de groeicijfers niet uitpakken zoals verhoopt, halen politici en commentatoren er andere oorzaken bij. De situatie in Duitsland of in China. De verandering in grondstoffenprijzen of wisselkoersen. De consument die onverwacht de vinger op de knip houdt of het beleid dat niet doortastend genoeg is. Enzovoort. Als groeiprestaties zo onvoorspelbaar zijn en politici er zo weinig invloed op hebben, waarom verbinden we er dan belangrijke maatschappelijke doelstellingen aan?

Herinnert u zich de slogan van werkgeversorganisatie VOKA voor de federale verkiezingen? ‘Groei is onze enige sociale zekerheid’, luidde die. De economie zou minimum 2% moeten groeien per jaar, vonden de werkgevers. Nu centrumrechts aan de macht is, zijn de groeivooruitzichten voor België een stuk lager: voor 2016 zal het eerder 1 dan 2% zijn. Ook de jaren daarop blijft de groei ‘zwak’. Is het nu over en uit met de sociale zekerheid? Hopelijk niet.

Groene meningen over groei

‘De groei in Duitsland is onze enige sociale zekerheid’ staat als slogan dus even dicht bij de waarheid als die van VOKA. Dat maakt meteen duidelijk wat eraan schort. Door de focus te richten op iets waar beleidsmakers nauwelijks vat op hebben, verdwijnen effectieve acties om de sociale zekerheid te versterken buiten beeld. Ook de milieubeweging voert het groeidebat doorgaans op die manier, al zijn er wel uiteenlopende visies. Een deel van de milieubeweging tracht beleidsmakers ervan te overtuigen dat milieuactie en economische groei niet tegengesteld zijn, maar elkaar net kunnen versterken. Een ander deel van de ecologische beweging wil minder economische groei omdat ze gelooft dat het slecht is voor mens en milieu.

Beide benaderingen vertrekken net zoals VOKA vanuit de veronderstelling dat beleidsmakers vat hebben op de economische groei. Maar steeds opnieuw blijkt dat slechts heel beperkt het geval te zijn. Waarom dan die complexe omweg nemen? Wie de sociale zekerheid, gezonde ondernemingen of de bescherming van het milieu belangrijk vindt, kan politici toch aansporen zich meteen daar op te richten? Want die hebben voldoende instrumenten in handen om die sociale, economische of ecologische doelstellingen rechtstreeks te verwezenlijken.

Het bnp, dat dwaallicht

De klimaatproblematiek kan die benadering perfect illustreren. Op een eindige planeet kan de materiële consumptie niet eeuwig groeien, dat is een feit. Maar sommige ecologisten hebben daar een te eenvoudige conclusie aan verbonden: ‘om de planeet te beschermen moet de economie krimpen’. Degrowth is voor hen de weg vooruit. De vaststelling dat het beleid nauwelijks vat heeft op de groei, doet al twijfels rijzen bij die strategie. En wie de klimaatdoelstellingen met die benadering wil waarmaken, geraakt helemaal van de wijs. Voor een stabiel klimaat moeten de broeikasgasemissies zo snel mogelijk en liefst voor 2050 naar nul. Dat betekent dat ze de komende decennia in België jaarlijks met 7 à 8% tegenover het voorgaande jaar moeten krimpen. Ook ons grondstoffenverbruik moet aanzienlijk afnemen om de milieudruk te verminderen.

Maar jaarlijks 7 à 8% minder broeikasgasemissies bereiken door aan hetzelfde tempo economisch te krimpen om uiteindelijk uit te komen op nul, dat is toch geen geloofwaardig voorstel? Dat zou een sociale ravage aanrichten. Bovendien is het helemaal naast de kwestie. Want waarom moet het aantal bezoeken aan de sportclub afnemen om het klimaat te redden?

Wat nodig is om de klimaatdoelstellingen te bereiken is erg duidelijk en binnen het  bereik van beleidsmakers: energiebesparing, een snelle uitbouw van hernieuwbare energie samen met reducties van emissies in de landbouw. De meeste analyses in economische modellen komen erop uit dat een dergelijk programma geen of een licht negatief effect heeft op de potentiële economische groei.

Op dit niveau hoeft de milieubeweging zich niet in het netelige groeidebat te mengen, ook niet om de overtrokken claim te maken dat klimaatactie de economische groei zal aanzwengelen. Ze kan zich aansluiten bij de opstelling die de Nederlandse econoom Jeroen van den Bergh bepleit: onverschillig zijn tegenover bnp-groei, de agrowth-strategie. Wat telt is echte welvaartscreatie en het behoud van vele vormen van waarde zoals het natuurlijk ‘kapitaal’ of de culturele ‘rijkdom’. Een goed economisch beleid gaat veel breder dan het nastreven van groei in het nationaal product. Tegelijk blijven heel wat van de ‘oude’ aanbevelingen voor BNP-groei, zoals investeren in onderwijs en opleiding, ook bij deze benadering overeind.

Klaar voor minder groei?

Politici moeten zich niet alleen richten op zaken waarop ze vat hebben, zoals welvaartscreatie en het behoud van vele vormen van waarde. Ze zullen de maatschappij waarschijnlijk ook moeten inrichten op een lange periode van lagere bnp-groei per capita. Steeds meer economen gaan ervan uit dat de hoge groei in de  geïndustrialiseerde landen tot het verleden behoort, onder meer omdat er minder zicht is op productiviteitsverbeteringen.

Dat is op korte termijn erg lastig. Heel wat maatschappelijke noden zoals de afbetaling van de overheidsschuld of de financiering van de sociale zekerheid lopen gemakkelijker bij een hogere economisch groei. Economische groei smeerde het naoorlogs sociaal compromis. Nu die groei uitblijft, komen die tegenstellingen weer op scherp, zoals het begrotingsdebat illustreert.

De vraag is of we nog veel hebben aan de 20ste-eeuwse benaderingen voor het economisch en monetair beleid, het keynesianisme en monetarisme. Want als de groeivertraging structureel is, bieden die klassieke recepten geen uitweg uit de sociale problematiek veroorzaakt door lage groei. De pogingen van de overheden om met overheidsinvesteringen of bezuinigingen de groei opnieuw aan te zwengelen tot op het oude niveau, zijn nu al tevergeefs. Investeringen of besparingen kunnen in bepaalde situaties nog nuttig zijn, maar niet om gedateerde groeidoelstellingen te halen.

Zodus: de tijd is rijp voor nieuwe ideeën om het maatschappelijk bestel in te richten op lagere bnp-groei, zoals andere vormen om tijd te herverdelen of inzet te mobiliseren. Weinig groei op macroniveau is daarbij niet gelijk aan stagnatie op microniveau. Ondernemingen actief in groene technologie, hernieuwbare energie of het sluiten van kringlopen zullen de komende decennia bijvoorbeeld nog pijlsnel groeien. Dat creëert voor een deel van de ecologische beweging een merkwaardige situatie. De filosofie die ze gedateerd vindt - die van de snelle, exponentiële groei - zal een van zijn laatste pleisterplaatsen vinden in de sectoren die ze een warm hart toedraagt.

reacties1 reactie

aanpasdatum17 maart 2016 | Mathias Bienstman

Voor lekkere, duurzame én betaalbare voeding, klik hier

thema’sLandbouw, Milieubewust aankopen

25/02
2016

Boeren blijven kopje onder gaan. De prijzen voor dierlijke producten duiken de diepte in. Tegelijk wil de consument steeds meer een authentiek, smaakvol en duurzaam product. Maar het mag ook niet te veel kosten. Onverzoenbaar? Neen, integendeel: een mooie kans voor de voedingsproductie in Vlaanderen. Als we op tijd de slimme keuzes maken.

De productie van dierlijke producten zoals vlees, melk en eieren staat onder druk. Er is een acute crisis door een overaanbod. Maar structureel bevindt de dierlijke productie in Vlaanderen zich op het snijpunt van twee tegengestelde krachten: steeds goedkopere, buitenlandse concurrenten en een kritische, veeleisende consument die er minder van lust.

De doorsnee landbouwer voelt zich het slachtoffer van die twee evoluties. Hij ziet hoe die zijn winstmarges aan beide kanten onder druk zetten.  Aan de ene zijde verlaagt de marktprijs door de internationale concurrentie.  2.000 zeugen is de standaardmaat voor nieuwe varkensstallen. Waaghalzen stampen megastallen met tienduizenden koeien uit de grond. Handelsverdragen vergroten de markttoegang voor hyperproductieve concurrenten.

Aan de andere zijde vraagt de consument meer dierenwelzijn, minder antibioticagebruik en een lagere, schadelijke uitstoot van runderen en varkens. Die toenemende vereisten voor milieu, natuur en gezondheid maken dat de productieprijs stijgt. De (melk)veehouderij overleeft nu al bij gratie van Europese subsidies. Maar de meeste landbouwers worstelen met de vraag hoe de rekening nog te doen kloppen bij stijgende productieprijzen en dalende verkoopprijzen.

Welke toekomst voor de landbouw?

Wat betekent dit voor de toekomst van de landbouw, en dan vooral voor de dierlijke productie? De dalende marktprijs eist continue productiviteitsverbeteringen en schaalvergroting. Dieren moeten uit minder voeder meer vlees, melk of eieren maken. Tegelijk wil de consument net het tegendeel. Hij vraagt om een authentiek, smaakvol en duurzaam product. Liefst van grondgebonden, familiale landbouw met respect voor de dieren. Maar intussen is de consument wél gewend geraakt aan de lage prijzen.

Aan beide zijden van het spectrum zijn er landbouwbedrijven die nog het hoofd boven water houden door voor te lopen. Zij tonen de twee kanten die onze landbouw schijnbaar uit kan: er zijn de kapitaalintensieve, industriële complexen die erin slagen om de prijs van dierlijke producten verder te drukken. Een sterk ontwikkeld agro-industrieel bestel stuwt hen voort. Voor elke schakel is er staatssteun: het onderzoek, de investeringen, de productie, de vermarkting en zelfs de promotie.

Aan de andere zijde bevinden zich de boeren die afknappen op de ratrace naar meer en groter. Zij zetten in op bio, korte keten of stadslandbouw. Daarvoor vinden ze een kleine maar groeiende groep enthousiaste consumenten.

Van voorlopers naar trend?

Als het voor hén wel lukt, waarom dan niet voor iedereen? Er zijn goede redenen om er aan te twijfelen dat de toekomt van de landbouw ligt in het veralgemenen van één van die tegengestelde praktijkvoorbeelden. Verdere intensivering en schaalvergroting botst op ‘natuurlijke’ grenzen in Vlaanderen. Onze regio ligt dan wel dicht bij havens of universiteiten, waardoor de aanvoer van veevoer of kennis beter loopt, toch is het moeilijk voorstelbaar dat zoiets blijvend het verschil zal maken in de internationale concurrentie tussen mega-landbouwbedrijven. De schaarse open ruimte en de hoge grondprijzen, de slechte staat van het leefmilieu en de hoge arbeidskosten werken allen in het nadeel van Vlaanderen als veestal van de wereld.

Dan maar inzetten op de duurzame, grondgebonden en extensieve landbouw? Dat is ongetwijfeld een must en biedt nog mogelijkheden. Maar in de supermarkt is nog steeds meer concurrentie op prijs dan op kwaliteit of duurzaamheid. De weerstand van landbouwers om dát deel van de markt dat op prijs concurreert in zijn geheel los te laten, is te begrijpen. Voorlopig - en waarschijnlijk nog voor lange tijd - zal de vraag naar kwalitatieve en duurzame dierlijke producten te beperkt zijn om er de hele sector op af te stemmen.

Hier is de uitweg

Is er een andere piste, een uitweg? De innovaties in de voedingssector zetten aan het denken. Nu al levert die sector viermaal meer toegevoegde waarde en meer tewerkstelling dan de land- en tuinbouw. Vlaanderen excelleert op heel eigen niches zoals chocolade, diepvriesgroenten of (speciaal)bieren. Waarom niet volop inzetten op een nieuwe groeipool: alternatieven voor dierlijke producten?

In het midden van deze eeuw moeten de broeikasgasemissies ongeveer naar nul. Dat betekent onvermijdelijk een daling van de veestapel. Er ontstaat een snel groeiende markt voor alternatieven voor vlees- en zuivelproducten. Zo maakt Alpro in België al meer dan 700 plantaardige voedingsproducten en creëerde de onderneming honderden jobs. De bedrijfsresultaten zijn uitstekend.

‘Meat Makers’

De vraag om ‘vlees’ te produceren zonder broeikasgasemissies, waterverbruik, lokale vervuiling en dierenleed leidt tot nieuw onderzoek naar kweek- of labovlees. Het tijdschrift The Economist voert in een recente documentaire ‘Meat Makers’ voorbeelden op uit Nederland en de VS. Onderzoekers werken er aan kweekvlees op basis van plantaardige eiwitten of stamcellen. Zodra die innovaties marktrijp zijn, zullen ze in voedingsfabrieken geproduceerd worden. Zulke voedingsfabrieken staan even dicht of ver van de ‘traditionele landbouw’ als de veefabrieken met arbeiders in loondienst.

Als de dierlijke productie in Vlaanderen tot zo veel moeilijkheden leidt, waarom legt de sector zich dan niet toe op het alternatief met groeipotentieel? In tegenstelling tot ruimte hebben we wel heel wat innovatievermogen, in tegenstelling tot goedkope arbeid wel toegang tot kapitaal. De campagne Dagen Zonder Vlees toont aan dat er ook een groeiende markt is voor diervrije voeding. Dit past gewoon beter bij Vlaanderen dan de grootschalige veehouderij.
 
Smaakvolle, duurzame én betaalbare voeding

Als onze regio voor dat pad kiest, zou de landbouw- en voedingssector in twee richtingen evolueren. De niche van de duurzame landbouw bouwt zich verder uit op het tempo van de groeiende vraag naar kwalitatieve en authentieke producten. Maar in de traditionele dierlijke productie doen we de volgende logische stap in de intensivering. Niet de schaal vergroten of de productiviteit van de dieren nog een paar percent opdrijven. Wél door innovaties de dieren uit de keten bevrijden, zodat de sector erin slaagt van plantaardige eiwitten rechtstreeks smaakvolle, duurzame en betaalbare voeding te maken.

> Bekijk de film ‘Meat Makers’ van The Economist

> Lees meer over het debat over de toekomst van de dierlijke productie naar aanleiding van Dagen Zonder Vlees

reactiesreageer

aanpasdatum25 februari 2016 | Mathias Bienstman

De stal van de Vlaamse landbouw moet uitgemest. Hoe we dat doen, maakt al het verschil

thema’sLandbouw

21/01
2016

Delen van de Vlaamse landbouwsector zitten in crisis. De kosten worden niet gedekt. Dit, samen met de toenemende vergrijzing en druk op open ruimte brengt het voortbestaan van een familiale landbouw op Vlaamse schaal in het gevaar. De keuzes die we nu maken, bepalen de toekomst van de landbouw in Vlaanderen.

1 op 4 varkensboeren is failliet

Geen grenzen aan de groei, dat kregen boeren van alle banken en erfbetreders zoals adviseurs en kopers tot voor kort te horen. Kortetermijnwinsten wonnen het van de veerkracht van de sector. Dat breekt hun nu zuur op. Eind 2015 bleek één op de vier varkensboeren virtueel failliet. De machtsconcentratie in de keten is groot en de boer trekt aan het kortste eind. Landbouwminister Schauvliege lijkt dit te erkennen en kondigt in een recent interview alvast aan om de landbouwsector weerbaar te maken tegen commerciële belangen.

Warm of koud saneren?

Vanuit een deel van de sector en van politieke partijen in Vlaanderen, maar ook in Nederland klinkt daarom de vraag om een warme sanering van de varkenssector, liefst op Europese schaal. Dit gebeurde eerder in Vlaanderen in begin jaren 2000 onder impuls van toenmalig minister Vera Dua.

Naast het sociaal drama dat zich op veel plaatsen voltrekt heeft een koude sanering, zoals die zich nu aankondigt, zijn gevolgen. In Vlaanderen zullen we sowieso naar een kleinere veestapel moeten gaan, maar de huidige crisis maakt dat veel bedrijven die investeerden in efficiënte en milieusparende maatregelen, er het eerst dreigen tussenuit te vallen. Een varkens- of melkveehouderij die niets deed, kan nu als winnaar uit de bus komen.

Ondertussen in Europa

Vanuit Europa vallen er met Phil Hogan als Europees Commissaris voor Landbouw voorlopig niet veel structurele ingrepen te verwachten. De regels van de wereldmarkt bepalen nu het spel. De afgelopen weken verschenen er rapporten over de impact van het vrijhandelsakkoord TTIP op de Europese landbouw. Het voorspelde resultaat voor de Europese boer: een nog lagere prijs voor zijn product.

Wie wint wel? De landbouw van de VS, die een competitief voordeel zal hebben als het over granen, melk en vlees gaat. Dat tonen ook Amerikaanse studies aan. De verklaring daarvoor is te vinden in schaalvoordelen, maar ook in lagere productie- en consumptiestandaarden. Zo zijn de wettelijk toegelaten pesticidenresidu’s 5000% hoger in de VS dan in de EU.

Wat we nodig hebben: een niche

Toch zien sommigen in TTIP ook kansen voor de Europese landbouw, met name voor Europese kwaliteitsproducten. Verwerkte producten met een specifieke identiteit kunnen op de Amerikaanse afzetmarkt een plaats vinden. In Vlaanderen gaan steeds meer stemmen op om van Vlaamse landbouw- en voedingsproducten een nicheproduct op de wereldmarkt te maken. Op 20 januari vond alvast een hoorzetting plaats in het Vlaams Parlement rond dit thema en de schaalvergroting in de landbouwsector.

Hoe deze transformatie eruit moet zien is nog onduidelijk, maar vast staat dat het duurzame producten zullen zijn, die nog meer dan vandaag de ecologische, economische en sociale kwaliteit moeten waarborgen. Hiervoor zal de Vlaamse landbouw, maar ook het Vlaamse consumptie- en voedingspatroon soms drastisch moeten veranderen. Een omschakeling naar aan gevarieerd, seizoensgebonden en plantaardig dieet dringt zich op. Want zowel productie en consumptie in Vlaanderen overtreden de grenzen van het te rechtvaardigen effect op mens en milieu, hier en doorheen de globale voedselketen.

reactiesreageer

aanpasdatum21 januari 2016 | Pepijn De Snijder

De luchtkastelen van Gwendolyn Rutten

thema’sKlimaat & energie

7/01
2016

Op maandagavond 4 januari verdedigde Open VLD-voorzitter Gwendolyn Rutten in Terzake het federale energiebeleid, en dan vooral de beslissing om de oudste kerncentrales open te houden. Ze beweerde dat ons land als een van de weinige in Europa erin slaagt tegelijk de kernuitstap te verwezenlijken en de klimaatdoelstellingen te halen. Wie de cijfers erbij neemt, ziet in een oogopslag dat Rutten met veel goesting luchtkastelen bouwt.

Het slechtste van twee werelden

In de ogen van Jan Modaal staat het Franse energiemodel voor kernenergie en lage elektriciteitsprijzen. Het Duitse model van de Energiewende daarentegen betekent kernuitstap en hogere prijzen. Die dienen om de investeringen in de snelle groei van hernieuwbare energie te ondersteunen. Ze blijken voor de Duitse economie positief uit te draaien. België combineert op onnavolgbare wijze de nadelen van beide modellen. Na Duitsland hebben we de hoogste elektriciteitsprijzen voor de gezinnen van alle buurlanden [1], maar we bouwen het verouderde nucleaire park en bijhorend risico niet af. Nochtans moeten de kerncentrales ooit vervangen worden.

Volgens Rutten doen wij het echter beter dan de meeste Europese landen doordat we een (uitgestelde) kernuitstap combineren met het halen van klimaatdoelstellingen. De cijfers vertellen een ander verhaal. Tussen het basisjaar 1990 en 2014 daalden de broeikasgasemissies in Duitsland met 27%, in België met 21,5% en in Frankrijk met 17%. In die periode sloot Duitsland negen van zijn zeventien kerncentrales. De Belgische en Franse draaien (opnieuw) allemaal.

Duitsland wint dubbel

De meest recente prognoses van de broeikasgasemissies voor de komende twee decennia tonen dezelfde trend nog duidelijker. Met het huidige beleid voorziet België dat de broeikasgasemissies gaan stijgen, Frankrijk dat ze nauwelijks gaan dalen en Duitsland dat ze sterk naar beneden gaan.[2] Zowel België als Frankrijk voorzien dat de uitstoot van de energieproductie de komende decennia stijgt, terwijl ze in Duitsland fors gaan dalen. Conclusie: het Duitse hernieuwbare model is superieur aan het Franse nucleaire model. Ruttens betoog in Terzake toont opvallende gelijkenissen met de mythes die het Nucleair Forum verspreidt over de Duitse Energiewende. Recent heeft BBL samen met andere milieuorganisaties die mythes één voor één ontkracht.[3]

Kernenergie matcht niet met transitie

De beslissing om de oudste kerncentrales open te houden remt de overstap naar betaalbare hernieuwbare energie af.  Daarvoor zijn er een aantal redenen. Kerncentrales produceren dag en nacht stroom en zijn moeilijk te verzoenen met flexibele energievormen zoals wind en zon. Ze bemoeilijken de investeringen in en uitbouw van een decentraal energiesysteem met vraagsturing en opslag. Komt daar nog bij dat we Doel 1 en 2 niet nodig hebben om het licht te laten branden, integendeel. We zullen windturbines moeten stilleggen omdat er te veel (kern)energie is.

Electrabel zwaait de scepter

Bovendien kun je je afvragen wie hier eigenlijk het energiebeleid bepaalt. De dominantie van Electrabel en de grootverbruikers resulteert in een transitie die de lusten en lasten onevenwichtig verdeelt en de zuurstof wegneemt voor nieuwe, innovatieve energiebedrijven en diensten. Een treffend voorbeeld hiervan: minister Marghems meest recente voorstel om een steunmechanisme voor bestaande gascentrales in te voeren. De gascentrales zitten ingekneld tussen de groei van hernieuwbare energie en het teveel aan kerncentrales, waardoor ze het de laatste jaren steeds moeilijker hebben om het hoofd boven water te houden. Door de kerncentrales langer open te houden, geeft de minister de doodsteek aan de gascentrales. Ze zullen hierdoor in de toekomst nog minder kunnen draaien. Hoe wil Marghem dit oplossen? Door de gascentrales te subsidiëren om operationeel te blijven. Naar wie zal het geld hoogstwaarschijnlijk gaan? Naar gascentrales van Electrabel, EDF, BASF en Tessenderlo. Een tweede cadeau dus voor de nucleaire spelers en enkele grootverbruikers. En een tweede klap voor al de overigen, die het steunmechanisme moeten financieren.

De energietransitie zal de komende jaren moeten opboksen tegen de slechte marktomstandigheden die de federale regering creëerde door het langer openhouden van overbodige kerncentrales. Het is opmerkelijk dat liberale excellenties fier zijn op zo een transitie waarin elk vrij initiatief nauwelijks kans maakt zonder overheidssteun. In het beste geval krijgt de energietransitie de komende jaren nog enigszins vorm door creatief knip- en plakwerk vanuit de overheid, gefinancierd met allerhande steunmaatregelen die de lage prijzen op de groothandelsmarkt compenseren. In het slechtste geval leidt die afhankelijkheid van steunmaatregelen tot jarenlang gekibbel en juridische onzekerheid rond staatssteun, die het investeringsklimaat compleet ondermijnt.

[1] http://www.creg.info/Tarifs/energiecomponent.pdf p.25
[2] http://www.eea.europa.eu/publications/trends-and-projections-in-europe-2015 p.84
[3] http://www.bondbeterleefmilieu.be/uploads/files/9%20mythes%20over%20Duitse%20Energiewende%20weerlegd.pdf

reacties3 reacties

aanpasdatum7 januari 2016 | Mathias Bienstman