Milieublog

Home > Milieublog

Milieublog: laatste berichten

Share

Maak toegang tot Europese markt afhankelijk van klimaatengagement

thema’sKlimaat & energie

6/06
2014

De twee grootste vervuilers China en de VS kondigden deze week aan dat ze de uitstoot van broeikasgassen drastisch willen terugdringen. Is het einde van de lange lijdensweg voor het onderhandelen van een mondiaal klimaatakkoord daarmee eindelijk in zicht? Veel zal afhangen van hoe sterk de fossiele industrie de plannen kan uithollen. Europa moet niet machteloos toezien: ze kan via haar handelsbeleid de druk opvoeren op de achterblijvers.

De bedrijfswereld in de VS is niet mals voor de klimaatplannen van Obama. De machtige Chamber of Commerce reageerde kort maar krachtig: “De regelgeving zal een immense kost en een zware regeldruk leggen op de Amerikaanse jobmotor, met een diepe impact op de economie, de bedrijven en de gezinnen.”  De Republikeinse leider in het Huis van afgevaardigden  John Boehner ging nog een stap verder en noemde het plan “krankzinnig”. Het Amerikaanse milieuagentschap weerlegde de claims: de klimaatplannen maken de economie net sterk en innovatief.

De discussie overstijgt de Amerikaanse politiek. Om klimaatverandering tegen te gaan moet de vervuiling door broeikasgassen wereldwijd minstens halveren tegen het midden van de eeuw. China, de VS en de EU zijn samen verantwoordelijk voor bijna 60% van alle uitstoot. China en de VS riepen in het verleden elkaars inactiviteit in om niets te doen. Maar ook in de EU remt de bedrijfswereld klimaatbeleid af met het argument dat die twee landen achter blijven. Een geloofwaardig klimaatakkoord voor 2015 lijkt pas mogelijk als de drie blokken tegelijk bewegen. Voor het eerst maakt zo een doorbraak echt kans, hoewel het om gevaarlijke klimaatopwarming af te wenden al erg laat is. Als de bedrijfswereld in de VS er daarentegen in slaagt Obama’s klimaatplannen te torpederen, dan riskeren de internationale klimaatonderhandelingen verder aan te modderen. De wereld stevent dan af op een temperatuurstijging van 4 graden deze eeuw.

De American Chamber of Commerce voert al jarenlang het lijstje aan van de meest spenderende Amerikaanse lobbygroepen. Jaarlijks spendeert ze om en bij de 100 miljoen dollar om politici te kneden. Ze heeft een geschiedenis van aanvallen op het klimaatbeleid. Niet alleen oliegiganten zoals Exxon of Chevron wegen op haar koers, maar ook de steenkoolindustrie. Nochtans zit niet alle financiële vuurkracht in de VS aan de zijde van de oude, fossiele economie. Bij de tien grootste Amerikaanse ondernemingen op de beurs worden de oliegiganten in aantal overtroffen door bedrijven die met een groen imago uitpakken. Zo wil Google draaien op 100% hernieuwbare energie. Apple streeft hetzelfde doel na. CEO Tim Cook provoceerde de aandeelhoudersvergadering eerder dit jaar door te zeggen dat er geen plaats is voor klimaatontkenners. Ook de supermarktketen Wall-Mart gaat voor hernieuwbaar. Ze mocht president Obama eerder dit jaar ontvangen voor een speech over z’n klimaatbeleid. De vraag is of deze toppers gewoon meesurfen op de groene golf of achter de schermen een tegengewicht vormen voor de olie- en steenkoolbelangen in de bedrijfsfederaties.

Europa moet niet machteloos toekijken naar de belangenstrijd in de VS. Om een positieve uitkomst te bekomen kan de EU ook haar eigen economisch gewicht in de schaal leggen. In de EU ontkent geen enkele relevante speler het belang van een mondiaal klimaatakkoord. Ook bedrijfsfederaties zoals Business Europe zijn voor. Maar de hefbomen om het af te dwingen lijken beperkt. Nochtans lonken heel wat Amerikaans ondernemingen naar meer toegang tot onze markt, die de grootste vormt ter wereld. Zo is de Amerikaanse Chamber of Commerce een grote pleitbezorger van het vrijhandelsverdrag tussen de EU en de VS (TTIP).  Moet de toegang tot de Europese markt niet afhangen van een geloofwaardig Amerikaans engagement voor een klimaatakkoord? Zo komt de druk te liggen bij de ondernemingen die elk klimaatbeleid boycotten en de ontkenningsindustrie financieren om goede kwartaalcijfers te scoren.

Mathias Bienstman

reactiesreageer

aanpasdatum6 juni 2014 | Mathias Bienstman

Een snellere beslissing is geen betere beslissing

thema’sJuridische zaken, Wetten en regels

20/05
2014

Tijdens de afgelopen legislatuur was het politiek bon ton om te verkondigen dat vergunningen voor bedrijven of infrastructuurwerken veel te lang aanslepen. Volgens de ondernemerswereld zijn snelle en eenvoudige vergunningsprocedures zelfs een noodzaak om economisch te overleven. Als die procedures niet snel vlotter verlopen, met een minimum aan administratieve lasten en liefst met niet te veel inspraak van lastige bewonersgroepen, zullen bedrijven wegtrekken en komt ons land tot stilstand. Onze ministers sprongen al snel op deze kar. Met het nieuwe decreet op de omgevingsvergunning - waarbij de bouw- en milieuvergunning geïntegreerd worden in één vergunning - zullen de procedures vanaf volgend jaar veel sneller verlopen. Gedaan met al die vertraging en lang wachten op een beslissing.

Maar wat blijkt ondertussen? Cijfers van Vlaams Parlementslid Hermes Sanctorum (Groen), tonen aan dat minister van Leefmilieu Joke Schauvliege (CD&V) in driekwart van de beroepsdossiers voor milieuvergunningen de voorziene termijn overschrijdt. In 2011 werd voor 121 van de 162 beroepsdossiers pas na de voorgeschreven termijn van vijf maanden een beslissing genomen. Momenteel liggen op het bureau van minister Schauvliege 86 beroepsdossiers, waarvan bij 63 de wettelijke termijn al is overschreden. Het gaat echter om een ‘termijn van orde’ , niet om een vervaltermijn. Wanneer de minister die termijn niet naleeft, wordt de termijn gewoon uitgesteld. De betrokken bedrijven die een milieuvergunning nodig hebben, of burgers die in beroep gaan tegen de vergunningsvoorwaarden, kunnen niet anders dan afwachten.

In een tribune in De Tijd verdedigt minister Schauvliege zich met het argument dat het om ingewikkelde dossiers gaat, die maatschappelijk gevoelig liggen. Daarom is het voor de minister belangrijk dat er eerst een ruim overleg is met alle belanghebbende partijen, zoals gemeentebesturen, exploitanten, burgercomités en onafhankelijke experts. Vaak vergt dat bijkomend onderzoek en grondig studiewerk. En dat vraagt uiteraard tijd, waardoor de beroepstermijnen niet worden gehaald. Maar belangrijker dan een tijdige beslissing, is een goede beslissing, aldus de minister. Volledig terecht volgens BBL. Bovendien verhoogt de inspraak ook het maatschappelijk draagvlak en vermijdt men nodeloze juridische procedures nadien, aldus nog de minister. Want daar is uiteindelijk niemand mee gebaat.

Maar wat dan met de omgevingsvergunning?

Omdat het vanaf nu allemaal sneller moet gaan, worden de huidige termijnen van orde in het nieuwe decreet voor de omgevingsvergunning vervangen door echte vervaltermijnen. De volgende minister van Leefmilieu zal daardoor gedwongen worden om snel te beslissen over beroepsdossiers. De wettelijke termijn kan niet meer overschreden worden. Wanneer de beslissing niet binnen de vastgestelde termijn wordt genomen, wordt het beroep automatisch verworpen en valt men terug op de eerder genomen beslissing van de provincie.

We durven nu al voorspellen dat die vervaltermijnen voor meer vertraging dan versnelling zullen zorgen. Er mag immers van uit gegaan worden dat de beroepsdossiers in de toekomst nog ingewikkelder zullen worden, aangezien zowel over de milieu- als de bouwaspecten moet worden beslist. En hoe zit het dan met het noodzakelijke overleg en het grondige onderzoek, dat volgens de minister nodig is om een goed afgewogen beslissing te kunnen nemen in beroepsdossiers? Daar zal daar in de toekomst geen tijd meer voor zijn, of het zal toch op een drafje moeten worden afgehandeld. Gefrustreerde burgers, comités of milieuverenigingen die vinden dat met hun argumenten weinig of geen rekening werd gehouden, zullen vervolgens via juridische weg verder gaan.

Maar ook voor bedrijven is deze regeling niet zonder gevaar. De meeste beroepsdossiers bij de minister gaan immers over milieuvergunningen die in eerste aanleg door de provincie worden geweigerd. Veelal omdat het om lokaal omstreden dossiers gaat, waarbij het lokale bestuur uit politieke overwegingen mee op de kar springt van een bewonerscomité. Denk maar aan het inplanten van windmolens of het uitbaten van een afvalverwerkend bedrijf. Als de provincie zo’n aanvraag weigert, kan de minister zichzelf vervolgens perfect buiten schot houden, door de termijn gewoon te laten verstrijken en niet te beslissen.

BBL heeft er steeds voor gewaarschuwd dat sneller beslissen niet noodzakelijk ook voor betere beslissingen zorgt. Het ziet er alvast naar uit dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen – die al een aanzienlijke achterstand heeft opgebouwd – in de toekomst nog veel meer vergunningsdossiers zal mogen behandelen, zowel van gefrustreerde burgers als van gefrustreerde bedrijven. Want hoe minder inspraak er vooraf is, hoe meer juridische procedures er nadien zullen volgen. Met nog veel meer vertraging tot gevolg.

reactiesreageer

aanpasdatum20 mei 2014 | Erik Grietens

Russisch gas en de energie-onafhankelijkheid van Europa

thema’sKlimaat & energie

7/04
2014

De situatie in Oekraïne en Rusland zorgt voor heel wat spanning in Europa. Niet in het minst op energievlak. De vraag hoe Europa verder kan zonder afhankelijk te zijn van de grillen van Poetin, wordt weer zeer pertinent. Europa importeerde vorig jaar immers nog één derde van haar gas uit Rusland. 

De Europese Unie ontstond vanuit een energieproject: de Europese gemeenschap voor kolen en staal. Nu, vierenzestig jaar later, is het tijd voor een Europese Energie-Unie 2.0. Dat was de boodschap van Europees president Van Rompuy op de Europese Lentetop op 21 maart. Tijd voor een (van Rusland) onafhankelijke en liefst ook duurzame Europese energie dus. De vraag is alleen hoe.

Schaliegas als gamechanger? Het bezoek van president Obama aan ons land, zette schaliegas weer duidelijk op de kaart. Als antwoord op de Europese vraag of Obama wil bekijken of hij deze Amerikaanse “gamechanger” kan exporteren naar Europa, stelde de wereldleider dat we best ook in Europese bodem op zoek gaan naar deze nieuwe fossiele brandstof. Bart Sturtewagen van De Standaard stelde het in een opiniestuk vorige week bijzonder scherp: “is er straks nog elektriciteit en warmte als we schaliegas blijven uitsluiten?” We kunnen hem geruststellen. Een gamechanger zal schaliegas niet zijn. Als we al abstractie maken van alle milieu- en economische obstakels, dan nog kan schaliegas in het beste geval 2 tot 3% van de Europese energievraag tegen 2030 dekken. Niet echt overtuigend om onze energie-onafhankelijkheid te verhogen dus.

Energiebesparing als sleutelelement De Raadsconclusies van de Europese Lentetop leren wat het sleutelelement is in dit energievraagstuk: energiebesparing. Volgens de Europese Raad is een verminderde energievraag de eerste stap om onze energie-onafhankelijkheid te verhogen (en dat we zo bijdragen aan een oplossing voor het klimaatvraagstuk is daarbij mooi meegenomen). Enkele dagen na de Top stelde energiecommissaris Oettinger dat er nood is aan een bindende Europese energiebesparingsdoelstelling. Dit is een sterk signaal met oog op een nieuw Europees energie- en klimaatpakket voor 2030. De huidige voorstellen voor 2030 zijn immers zeer vaag op het vlak van energiebesparing. Een tip voor Oettinger: volgens een studie van het Fraunhoferinstituut kan Europa haar energiegebruik met 40 procent verminderen. Zo maken we meteen komaf met de afhankelijkheid van Russisch gas. 

Hernieuwbare energie Hernieuwbare energie zorgt voor het sluitstuk van een onafhankelijke en betaalbare energievoorziening. Het is perfect mogelijk om tegen 2050 onze energievraag bijna volledig te dekken met hernieuwbare energie - als we vandaag de juiste keuzes maken. En ook op dat vlak schieten de Europese voorstellen voor 2030 te kort. Europa gaat niet verder dan een voorstel voor 27% hernieuwbare energie tegen 2030. Dit volstaat niet voor een nieuwe Europese Energie-Unie. Enkel door haar ambitie op te schroeven naar 45% hernieuwbare energieproductie tegen 2030, brengt de unie een gemeenschappelijk project van betaalbare, zekere én duurzame energie binnen bereik.

Laat ons hopen dat de crisis in Oekraïne toch een positieve kant heeft: met name dat de Europese lidstaten effectief eens ernstig gaan nadenken over hoe we in de toekomst kunnen komen tot een duurzame en onafhankelijke Europese Energie Gemeenschap.  

Sara Van Dyck

reactiesreageer

aanpasdatum7 april 2014 | Annelies Hickendorff

Rare jongens, die werkgevers

thema’sMilieu & politiek

28/02
2014

Wereldvreemd, irrealistisch, utopisch of ronduit gevaarlijk. Waar is de tijd dat de milieubeweging die vleiende etiketten kreeg opgekleefd? Als we de berichtgeving in de zakenkrant De Tijd mogen geloven is die omschrijving toepasbaar op de verkiezingsmemoranda van werkgeversorganisaties Voka en UNIZO. “De voorstellen van de werkgeversorganisaties zijn irrealistisch en zelfs een beetje wereldvreemd”, stelt de econoom Gert Peersman. Fiscaal hoogleraar Michel Maus spreekt over een “utopisch verhaal”.

Nu moeten we bekennen dat sommige voorstellen ook ons economisch inzicht te boven gaan. Zo zei UNIZO-topman Karel Van Eetvelt eerder in De Tijd: “We zullen een koopkrachtdaling moeten organiseren.” De kmo-organisatie wil een lastenverlaging van 7 miljard euro financieren door de lonen en uitkeringen te bevriezen. Dat lijkt op het eerste zicht een interessante zaak voor ondernemingen die van de export leven. Niet meteen voor de doorsnee zelfstandige die het van de binnenlandse vraag moet hebben.

Voka pleit op zijn beurt voor een loonlastenverlaging van 8,9 miljard, een verlaging van de personenbelasting van 2,4 miljard én besparingen van 10 miljard euro bij de overheid en de sociale zekerheid. De werkgeversorganisatie wil de miljarden onder meer vinden in de zorg, het onderwijs of de pensioenen. De voorstellen zijn niet altijd even concreet geformuleerd: zo wil Voka “de kinderbijslag en ouderenzorg marktgericht en effectiever maken” of “de uitgavenstijging voor pensioenen en inactiviteit temperen”.  Snoeien om te groeien is een beproefd recept. Over het algemeen leiden besparingen niet onmiddellijk tot economische groei. In het beste geval doen ze dat na verloop van tijd. Maar Voka ziet het anders: het ankerpunt van zijn besparingsvoorstellen is 2% economische groei bereiken.  Het spreekt voor zich dat we daarvoor ook nieuwe wegen nodig hebben en “milieunormen die niet verder gaan dan de reeds ambitieuze Europese verplichtingen.”

In De Tijd wezen Maus en Peersman al op de pijnpunten van deze voorstellen. Maus:  “zoals Voka 21 miljard euro wegknippen kun je niet doen zonder de verzorgingsstaat af te bouwen. Ik denk niet dat veel mensen daarop zitten te wachten.” Peersman benadrukt dat het door de vergrijzing niet evident is om de overheidsuitgaven te bevriezen. “De verwachting is dat de uitgaven voor de pensioenen en de gezondheidszorg fors zullen stijgen”.

Nog boeiender wordt het als de economen zich achter de voorstellen van de milieubeweging scharen. Eerder dan één grote besparingsronde, pleiten ze voor een lastenverschuiving. Econoom Koen Schoors noemt het bijvoorbeeld “bijzonder ergerlijk dat de werkgevers zwijgen als vermoord over een lastenverschuiving naar consumptie, milieu en vermogen.”

Mochten de werkgevers zich alsnog bedenken, kunnen ze te rade in de fiscale fiches van de milieubeweging. Ze bevatten zelfs ideeën voor nóg meer besparingen. Niet in vage formuleringen, maar heel concreet uitgewerkt. Zo pleiten we voor de afbouw van het fiscaal gunstregime voor bedrijfswagens, het stelsel van de professionele diesel, de steun aan regionale luchthavens of het accijnsvoordeel voor biobrandstoffen. We stellen ook een lastenverschuiving voor richting milieuschadelijke producten en gedrag, zoals luchtvervoer, wegvervoer en energieverspillend vastgoed.

Maar we laten het niet bij een lastenverschuiving. Eind maart lanceren we ook een écht investeringsprogramma. Eentje dat verder gaat dan de 150 miljoen in nieuw beton en 150 miljoen in innovatie, zoals Voka voorstelt.

Mathias Bienstman

reactiesreageer

aanpasdatum28 februari 2014 | Annelies Hickendorff

Fors inzetten op hernieuwbare energie en energiebesparingen is hard nodig

thema’sKlimaat & energie

30/01
2014

Het Europese klimaatplan voor 2030 stelt teleur, omdat het voorbijgaat aan de positieve ontwikkelingen inzake hernieuwbare energie. Je mag niet uitgaan van de problemen van vandaag voor het beleid in het komende decennium.

De Europese Commissie heeft gisteren een eerste versie gepubliceerd van een klimaatplan voor 2030. In vergelijking met het 20-20-20-pakket van 2008 verdwijnt de bindende doelstelling voor hernieuwbare energie voor individuele lidstaten. Evenmin ligt er een doelstelling voor energiebesparing op tafel. De Commissie wil daarmee wachten tot later dit jaar, na een evaluatie van het bestaande beleid.

Van de energie-intensieve industrie komen positieve reacties. Ze vreest de stijgende kosten van het ondersteuningsbeleid voor hernieuwbare energie. Als die kosten doorgerekend worden in de energiefactuur tasten ze de competitiviteit aan, luidt de redenering. Diezelfde industrie komt net uit een crisis en ondervindt stevige concurrentie vanuit de Verenigde Staten. Schaliegas drukt daar tijdelijk de elektriciteits- en gasprijs. Sommige industrietakken hebben het inderdaad niet gemakkelijk. Maar de problemen van vandaag nemen als uitgangspunt voor het beleid in het volgende decennium is riskant en mogelijk kortzichtig. Het gaat voorbij aan evoluties die de huidige situatie doen keren. Je koopt toch ook geen trui voor komende zomer op basis van het winterweer? Zo zullen de prijzen voor hernieuwbare energie nog dalen. Nu al komen er hier of elders in de wereld zonne- en windmolenparken bij, en dat zonder overheidssteun. Het is niet onwaarschijnlijk dat de grootste rem op de verdere ontplooiing van hernieuwbare energie de komende tien jaar niet de prijs zal zijn, maar andere barrières zoals de werking van het energienet, de procedures voor vergunningen of het lokaal draagvlak.

CO2-prijs Door het verdwijnen van bindende nationale doelstellingen voor hernieuwbare energie zullen veel overheden minder moeite doen om die barrières te slechten. Een kostenefficiënte vermindering van de CO2-uitstoot, bijvoorbeeld door het installeren van goedkope hernieuwbare energie, blijft daardoor onbenut. Die situatie doet zich nu al voor in het domein van de energiebesparing. Veel rendabele investeringen gebeuren niet. Denk aan het klassieke voorbeeld waarbij de huiseigenaar geen baat heeft bij energierenovaties, omdat de huurder de energiefactuur betaalt.

Als die kostenefficiënte emissieverminderingen niet gebeuren zal in het huidige systeem de CO2-prijs hoger liggen dan nodig om de reductiedoelstelling te bereiken. Hij zal stijgen tot er voldoende emissiereducties gebeuren. Zo kan een grotere druk ontstaan om gemakkelijke maar duurdere emissiereducties uit te voeren, bijvoorbeeld in de industrie. Dat is een van de opvallende bevindingen van de impactstudie van de Europese Commissie. Zonder bindende en ambitieuze doelstellingen voor hernieuwbare energie en energiebesparing ligt de CO2-prijs in 2030 twee tot vier keer hoger dan wanneer die doelstellingen er wel zijn.

Bij andere cruciale variabelen - zoals de kosten van het energiesysteem, de elektriciteitsprijs of de economische groei - is het verschil tussen de beleidsscenario’s veel minder groot. Uit de gehanteerde modellen blijkt zelfs dat een ambitieus energiebesparingsbeleid de kosten van de energie drukt en de groei en werkgelegenheid stimuleert. Het Europese beleid moet vorm krijgen vanuit een rigoureuze analyse, niet vanuit de waan van de dag. Het is aan onze overheid om bindende doelstellingen voor hernieuwbare energie en energiebesparing naar voren te schuiven.

reactiesreageer

aanpasdatum30 januari 2014 | Mathias Bienstman

Files eisen hun (stads)tol

thema’sVerkeer, Lucht

30/01
2014

“12 euro tol maakt Brussel horendol”, titelde een artikel in De Standaard op 22 januari, naar aanleiding van een strategisch lek van een studie besteld door de Brusselse regering over stadstol. Aangezien geen enkele politieke partij uiteindelijk te vinden lijkt voor een tarief van 12 euro voor stadstol, is het duidelijk dat het lek eerder dient om het draagvlak van een stadstol an sich onderuit te halen in plaats van een eerlijk debat te voeren. Bovendien wijst een studie van Touring uit dat automobilisten bereid zijn 10,58 euro te betalen voor vlot verkeer.

“Als de stad geen tol eist van de files, eisen de files hun tol van de stad.”

Volgens de berekeningen van de Brusselse werkgeversorganisatie BECI bedragen de “externe kosten” van autoverkeer in Brussel 511 miljoen euro per jaar.  Deze kosten worden niet betaald door de auto in de file, maar worden doorgeschoven naar de hele maatschappij. Denk maar aan klimaatverandering, luchtvervuiling, ziekte, vroegtijdig overlijden, etc. En, last but not least, de verloren tijd die elke bijkomende auto veroorzaakt aan alle mensen die in de file vaststaan. Iedereen zegt : Het moet anders. Wij zeggen : tijd dus voor een stadstol.
Wist u dat de Vlaamse regering al een stadstol voor Brussel heeft goedgekeurd?  Een stadstol van 3 euro per dag en een kilometerheffing van 0,07 euro per km maken deel uit van het goedgekeurde scenario voor de uitbreiding van de Ring rond Brussel (R0). Bovendien zal de stadstol van 3 euro per dag een grotere impact op het verkeer op de R0 hebben (dus minder files) dan de uitbreiding van de R0 op zich. Toch zet de Vlaamse regering door met de uitbreiding zonder de begeleidende stadstol of kilometerheffing.
Zelfs de autolobby (FEBIAC, Touring) is ondertussen voorstander van een fileheffing onder de vorm van een “slimme kilometerheffing”, om op die manier meer het gebruik en minder het bezit van een auto te belasten. 

Voor de Brusselse context is de stadstol een goede oplossing. Het bestaat al in verschillende steden ter wereld in verschillende vormen. De cameras die automatisch nummerplaten lezen van wie betaalt en wie niet, vind je niet alleen in steden als Stockholm en Londen. Ook in bijvoorbeeld Mechelen worden ze gebruikt om doorgaand verkeer te weren.

Het voorbeeld van Stockholm toont bovendien aan dat vooral de stadstol zelf en niet zozeer het bedrag belangrijk is. In Stockholm bedraagt de tol ‘maar’ 2,20 euro in spitsuren. In de daluren is dit bedrag lager, of zelfs niet van toepassing. De opbrengsten gaan naar beter openbaar vervoer. Dankzij de stadstol, daalde het autoverkeer er met 20% en nam het gebruik van openbaar vervoer en fiets significant toe. De zichtbare verbetering van de leefkwaliteit in de stad veranderde de aanvankelijke weerstand tegen de tol in een groot draagvlak. De stadstol is nu helemaal ingeburgerd en net zo vanzelfsprekend als parkeermeters. En de luchtkwaliteit is er serieus op verbeterd.
Blijft nog de vraag: welk tarief voor de tol?  In 2012 voerde automobilistenvereniging Touring een studie uit, waaruit blijkt dat de autobestuurders bereid zijn om gemiddeld 10,58 euro per dag te betalen voor vlot verkeer. BECI heeft in 2013 dan weer de waarde van een verliesuur berekend op 11,72 euro. Een bedrag dat voor transporteerders nog hoger oploopt, tot zelfs 36 euro per uur.
De negatieve vaak emotionele politieke reacties op de 12 euro tol tonen dat deze berekende maatschappelijke kost van filerijden helaas nog steeds een ongemakkelijke waarheid is, an unconvenient truth. Je kan wel vinden dat de auto die in de file rijdt daar niet de tol van moet betalen, maar je eist dan wel een tol van iedereen.

Erik Grietens 

reactiesreageer

aanpasdatum30 januari 2014 | Erik Grietens

Het gezicht van de deel-economie - Vlaanderen

15/12
2013

In dit artikel: een blik op de deel-economie in Vlaanderen

Dat consumenten meer en meer gebruikers willen worden, is een trend die ook in Vlaanderen zichtbaar is geworden het afgelopen jaar. Op de website gedeelddoor.be van Netwerk Bewust Verbruiken hebben tal van Vlaamse initiatieven rond delen een plaatsje gevonden. Bond Beter Leefmilieu is dit jaar op onderzoek gegaan naar deze initiatieven. Aan de hand van workshops, individuele gesprekken en een bevraging hebben we getracht de Vlaamse deel-economie op het terrein te leren kennen, en samen met hen groeikansen en knelpunten boven te spitten. Hier volgt een beknopte doorlichting van de Vlaamse deel-scene.

De voornaamste niches

Autodeel- of carpool-initiatieven, co-housing projecten en korte keten landbouwprojecten zijn de voornaamste spelers in de prille Vlaamse deel-economie. Organisaties als Taxistop, Autopia, Cambio, Samenhuizen, Voedselteams en Velt zijn al jarenlang actief, en zijn ontstaan lang voor de term deel-economie werd bedacht. Ze hebben dan ook de meest uitgebreide gebruikersbasis van alle deel-initiatieven in Vlaanderen. Al is dat relatief, want zelfs de autodelers of samenhuizers vormen nog maar een kleine minderheid in de Vlaamse samenleving.

Daarnaast wordt er heel wat afgedeeld, geruild en hersteld in laagdrempelige vrijwilligers-initiatieven zoals weggeefwinkels, boekenruilkasten, Swishing-events, Repair Cafés,... . Voor alledaagse gebruiksgoederen is een echte deel-economie in Vlaanderen echter nog veraf, al duiken er verschillende beloftevolle initiatieven op (Iedereenruiltmee.be, Wijdelen.be, Instrumentheek, Usitoo, ...) die klaar staan om gebruikers te overtuigen van de voordelen van delen in plaats van hebben.

Lokale inbedding

Uit onze verkenning is gebleken dat de Vlaamse deel-economie voornamelijk bestaat uit initiatieven en organisaties die van onder uit zijn gegroeid. Vaak gaat het om organisaties die gedragen worden door geëngageerde mensen die geloven in de maatschappelijke meerwaarde van hun deel-initiatief. Maar samen met de groei van de deel-initiatieven komt een meer diverse groep gebruikers aan boord, die door heel diverse motieven gedreven worden om te starten met het delen van hun auto, huis, tuin, voedsel, … . Mensen wagen de stap naar de deel-initiatieven bijvoorbeeld omdat ze kosten willen besparen, omdat het niet praktisch is om een eigen wagen te bezitten in een stad, of omdat ze op zoek gaan naar sociale contacten in de buurt.

De link met het lokale niveau (een woningproject, straat, wijk of dorp) blijkt wel belangrijk gezien het succes van initiatieven die lokaal verankerd zijn, zoals particulier autodelen of co-housing. Initiatieven die een online platform aanbieden en daarbij mikken op een gebruikersgroep die over een grotere regio verspreid is (zoals Thuisafgehaald.be, Iedereenruiltmee.be) slagen er vooralsnog niet in om succes te boeken op die ruimere schaal.

Van transitie naar start-up?

Wat ook opvalt bij het overschouwen van de Vlaamse deel-scene, is dat er weinig zogenaamde start-ups actief zijn. Dit zijn deel-initiatieven die zich echt profileren als een dienst, gebaseerd op een verdienmodel met een strategie om grote groepen gebruikers te overtuigen. In dat opzicht is de Vlaamse deel-economie heel anders dan de internationale scene die we in het vorige artikel besproken hebben, waar heel wat initiatieven net vanuit een economische strategie werden ontwikkeld. Een notoire uitzondering in Vlaanderen is Cambio, dat recent navolging kent met Bolides in Antwerpen.

De recente aanklacht dat economisch gedreven deel-initiatieven (zoals AirBnb) een handvol aandeelhouders verrijken op kap van de vele gebruikers, toont dat de deel-economie vatbaar is voor dezelfde kritiek als de klassieke economie. Het feit dat bestaande deel-initiatieven in Vlaanderen een sterke maatschappelijke missie als voornaamste drijfveer hebben is dan ook een sterkte voor de uitbouw van een duurzame deel-economie. Een maatschappelijke missie waarborgt dat de Vlaamse deel-economie maatschappelijke doelen op vlak van milieu en sociale inclusie integreert in plaats van louter korte termijn economische belangen te dienen. Neil Gorenflo van Shareable schreef hierover een uiterst boeiende opinie.

Maar het gebrek aan aandacht voor economisch haalbare verdienmodellen bij veel deel-initiatieven in Vlaanderen is tegelijk ook een zwakte. Een goed uitgebalanceerde strategie is immers niet alleen een noodzaak om op lange termijn te overleven, maar ook om zeer diverse doelgroepen onder de gebruikers te kunnen aanspreken. Een aanbod uitwerken op maat van de gebruiker is cruciaal.

Maatschappelijke (verdienmodel) innovatie vormt dus een prioritaire uitdaging om de Vlaamse deel-economie te versnellen. Deze uitdaging stelt zich niet alleen bij de deel-initiatieven zelf, maar ook bij de Vlaamse overheid en bedrijven, die traditioneel zeer sterk gericht zijn op technologische innovatie. Gelukkig is er met de Sociale Innovatiefabriek recent een beloftevolle katalysator voor maatschappelijke innovatie bijgekomen in Vlaanderen.

Versterken van de deel-initiatieven

Om de deel-economie in Vlaanderen te laten uitgroeien tot een stevige concurrent van de klassieke consumptie-economie moeten duidelijk nog grote knelpunten aangepakt worden, zo bleek uit ons onderzoek. Daar komen we in een later artikel nog uitgebreid op terug. Hier gaan we nog even in op twee onderwerpen die de deel-initiatieven duidelijk naar voor schuiven als belangrijke noden om de Vlaamse deel-economie op korte termijn te versterken.

Het eerste probleem is het gebrek aan zichtbaarheid van de talrijke initiatieven bij potentiële gebruikers. Hoewel de interesse in delen sterk stijgt, vinden mensen nog te weinig de weg naar geschikte deel-initiatieven in hun buurt. Met Gedeelddoor.be heeft Netwerk Bewust Verbruiken hier een belangrijke eerste stap gezet. In de nabije toekomst zou deze website moeten uitgroeien tot een dynamisch online platform van deel-initiatieven.

Een tweede nood waar deel-initiatieven mee geconfronteerd worden, en dan vooral de meer gevestigde waarden, is het gebrek aan kanalen en organisaties waarbij ze terecht kunnen voor operationele ondersteuning, financiering voor investeringen en het verbeteren van hun innovatiepotentieel. De samenwerking tussen deel-initiatieven verbeteren is een belangrijke voorwaarde om de kracht van de deel-sector te versterken.

Meer details over de knelpunten en kansen die de Vlaamse deel-initiatieven kenmerken zijn te vinden in dit workshop-rapport. In het volgende artikel gaan we op zoek naar maatschappelijke veranderingen die achter de deel-trend schuil gaan.

Jeroen Gillabel

reactiesreageer

aanpasdatum15 december 2013 | Jeroen Gillabel

Het gezicht van de deel-economie - internationaal

4/12
2013

In dit artikel: een blik op de kenmerken van de deel-economie, en wat er vandaag beweegt in de wereld.

Wereldwijd groeit er een nieuwe kijk op consumptie: de collaboratieve consumptie, waarbij toegang hebben tot een product de belangrijkste maatstaf wordt, en niet langer het echte bezit ervan. Ook in Vlaanderen groeit de interesse voor andere manieren van consumeren gestaag. Het afgelopen jaar is aan het onderwerp “consudelen” veel aandacht besteed in de media, dankzij de talrijke initiatieven die overal opduiken rond spullen delen, ruilen, weggeven, lenen, swishen, swappen, en ga zo maar door. Consudelen is zelfs genomineerd als woord van het jaar door Van Dale (stemmen kan hier nog tot 16 december), samen met andere woorden gelinkt aan delen: samentuin, geefkast of geefplein. Maar waar gaat het juist over? Wat leeft er internationaal, en kan het zijn dat dit meer wordt dan de zoveelste overwaaiende trend? In dit artikel werpen we een blik op de ontwikkeling van collaboratieve consumptie op wereldvlak.

Oud model in nieuwe outfit

Hoewel het delen van goederen al zo oud is als de mensheid zelf, heeft het zijn maatschappelijke rol sinds verschillende decennia grotendeels verloren in de rijke Westerse economieën. Maar nu lijkt delen aan een internationale comeback bezig. Tal van innovatieve diensten of online platformen doken de voorbije jaren op in de VS, Australië, Engeland of elders. Diensten en platformen waar vooral de jongste generaties handig gebruik van maken om toegang te krijgen tot ondermeer snelle mobiliteit (Lyft), een goedkope maar unieke slaapplaats op reis (AirBnb), kwaliteitsvolle tweedehands producten (Gazelle, Freecycle), een lekkere maaltijd (thuisafgehaald.be),... . De opkomst van dit soort nieuwe transactiemodellen werd door Rachel Botsman de “collaboratieve consumptie” genoemd. Ze schreef er niet alleen het boek “What’s mine is yours: the rise of collaborative consumption” ”over, maar richtte ook een platform op waar alle mogelijke initiatieven op verzameld worden en dat onderzoek doet naar de onderliggende drijfveren en succesvolle recepten.

Andere termen die gebruikt worden zijn sharing economy, peer-to-peer (met de P2P Foundation van onze landgenoot Michel Bauwens als internationale pionier), collaboratieve economie, deel-economie,... . Voor de geïnteresseerden: hier is een overzicht van verschillende begrippen en hun verbanden te vinden.

Waar het om draait

In een notendop komt het hier op neer: de collaboratieve economie is gebaseerd op transacties binnen netwerken van met elkaar verbonden mensen en gemeenschappen. De nood aan gecentraliseerde instituties valt hierbij grotendeels weg. Collaboratieve consumptie is de toepassing van dit model op producten en infrastructuur, en verandert de manier waarop we consumeren. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen product-dienstsystemen voor het delen van producten (Zipcar) redistributiesystemen voor het verkopen of weggeven van producten (eBay, Freecycle), en collaboratieve levensstijlen (co-housing, AirBnb). Volgende figuur geeft een overzicht van deze drie systemen.

(Bron: Collaborative Lab)

De rol van een onderneming en van de burger in het collaboratieve consumptie-model kan verschillend zijn. Bij een product-dienstsysteem is het een bedrijf dat zorgt voor de goederen waarmee een dienst wordt geleverd aan de gebruiker (typevoorbeeld: Cambio autodelen). In een peer-to-peer model zijn het burgers onderling die producten delen (typevoorbeeld: particulier autodelen). Dit kan op een heel informele en directe manier, maar meer en meer wordt gebruik gemaakt van digitale platformen die interacties en transacties eenvoudiger moeten maken. Dit platform wordt dan door een bedrijf of organisatie aangeboden en beheerd. Een voorbeeld hiervan is de Carpoolplaza van Taxistop, dat carpoolen eenvoudiger maakt door het zoeken naar kandidaat carpoolers te centraliseren. Een ander voorbeeld is Sharetribe, dat een generiek model aanbiedt om online deel- of martkplaatsen te beheren, naar analogie van Wordpress voor blogs.

De internationale scene

De deel-economie is internationaal aan een sterke opkomst bezig. Time Magazine noemde het een van de grote ideeën die de wereld kan veranderen, The Economist oordeelde dat de deel-economie voldoende groot is geworden om de klassieke economie te verstoren. Zelfs binnen het World Economic Forum en het Europees Economisch en Sociaal Comité wordt aandacht besteed aan de deel-economie. Dit heeft alles te maken met de sterke groei van een aantal spelers uit de deel-economie, waaronder AirBnB, Lyft of Uber.

AirBnb is een online platform dat het mogelijk maakt om een kamer in je huis te verhuren voor een kort verblijf. Het succes van dit platform is zo groot dat het aanbod ondertussen meer dan 500 000 locaties omvat. De grootste hotelgroep ter wereld, Hilton, telt minder dan 200 000 kamers. Lyft en Uber zijn de deel-economie tegenhangers van de klassieke taxi: via een online app kan je een rit delen met een particuliere chauffeur. Deze spelers zijn zo populair geworden dat verschillende steden in de VS (maar recent ook Brussel) hun regelgeving hebben moeten aanpassen omdat de klassieke hotel- en taxisectoren in opstand komen (meer hierover in een later artikel).

Achter deze internationale typevoorbeelden van de deel-economie schuilen echter onnoemelijk veel kleinere, lokale initiatieven en start-ups die ontluiken. Voor wie een goed beeld wil krijgen van wat er bestaat: op de website collaborativeconsumption.com is een uitgebreide, wereldwijde inventaris te vinden. Twee zaken vallen hierbij op: heel wat deel-initiatieven maken gebruik van digitale technologie om mensen in een netwerk te laten samenwerken of delen, en voor elke menselijke behoefte (verplaatsen, wonen, eten, creatief zijn,...) bestaan tientallen modellen met onderlinge verschillen qua aanpak of focus.

De internationale opkomst van activiteiten in de deel-economie gaat tot slot gepaard met het ontstaan van ondersteunende organisaties en netwerken. CollaborativeConsumption.com werd al genoemd, en richt zich sterk op het vertalen van ontluikende deel-economie modellen naar ondernemerschap en bedrijven, inclusief een adviesbureau voor bedrijven en overheden. P2P Foundation Van Michel Bauwens en Ouishare.net vertrekken vanuit de peer-to-peer gemeenschap. Ze ondersteunen niet alleen collaboratieve consumptie, maar ook gedeeld produceren, leren of financieren. Peers.org lijkt een soort lobby-orgaan voor de deel-economie, met de mobilisatie van protest tegen overheden die wetgeving willen uitvaardigen om AirBnb of andere deel-economie spelers regels op te leggen.

In het volgende artikel brengen we de deel-economie in Vlaanderen in beeld, bekijken we hoe die verschilt van de internationale situatie, en gaan we op zoek naar de uitdagingen waar de Vlaamse spelers voor staan.

Jeroen Gillabel

reactiesreageer

aanpasdatum4 december 2013 | Jeroen Gillabel

Warschau: Is dit een farce?

thema’sKlimaat & energie

21/11
2013

"Polluters talk. We walk" staat er op inderhaast afgeprinte A4's. We wandelen rustig de trappen af, weg van het voetbalstadion dat tijdelijk dienst doet als conferentiehal. We stappen uit de klimaatonderhandelingen in Warschau, samen met honderden anderen.  Vooraan lopen boegbeelden zoals Kumi Naido van Greenpeace en Sharan Burrow van het internationaal vakverbond ITUC. De voorbije uren waren hectisch. Maar de actie voelt bevrijdend aan. 

De voorbije dagen zagen we vanop de eerste rij hoe het minimum minimorum niet gebeurt, hoe landen hun klimaatambitie terugschroeven en hoe olie- en steenkoolbedrijven heel wat onderhandelaars in hun greep hebben. We lopen rond met draagzakjes van de oliemaatschappij Lotos en schrijven onze persberichten in zetels van luchtvaartmaatschappij Emirates. Ze sponsoren deze klimaattop. De logo's van andere bedrijven die het Europees klimaatbeleid op het hoogste niveau afremmen sieren de conferentiezalen. Is dit een farce? 

We weten dat de transitie naar een koolstofarme economie mogelijk en betaalbaar is. Denemarken en Duitsland geven het voorbeeld. De levenskwaliteit is er goed. De investeringen in vergroening zorgen voor jobs. Maar om die structurele verandering te laten slagen, mag de fossiele industrie niet aan het stuur zitten. De burgers, organisaties en ondernemingen die aan oplossingen werken moeten vat krijgen op het beleid. In Warschau, maar ook in Brussel. 

Net omdat we in de VN geloven, geven we dit signaal. We hopen dat de regeringen wereldwijd zich beraden over de toekomst, zodat de toekomst ons niet braadt.W

reactiesreageer

aanpasdatum21 november 2013 | Mathias Bienstman

Er is maar één manier om echt te besparen: minder energie verbruiken

thema’sKlimaat & energie

20/11
2013

“Zijn de chemische industrie in Antwerpen en de milieubeweging geen objectieve bondgenoten?” vroeg ik lichtjes provocatief aan m’n gesprekspartner. De vertegenwoordiger van een werkgeversorganisatie keek verbaasd op. Ik verduidelijkte: “De chemische industrie bij ons is bedreigd door goedkoop schaliegas in de VS. Gas is er een derde goedkoper, wat de Amerikaanse industrie een competitief voordeel geeft . Milieubewegingen in de VS houden de winning tegenen sturen aan op strenge milieunormen. Die drijft de kosten in de VS op wat goed is voor de Antwerpse installaties.” Hij schoot in de lach en leek te denken ‘goed geprobeerd’. “Het zijn dezelfde multinationals die zowel in de VS als bij ons in Antwerpen produceren. Ik zie ze morgen nog niet op de barricades staan bij de anti-schalieprotesten in de VS.” antwoorde hij droogjes.

We bespraken de bevindingen uit de laatste Energy Outlook van het Internationaal Energie Agentschap (IEA), de meest gezaghebbende publicatie over energietrends. Het IEA verwacht dat de VS tot 2035 over significant goedkopere energie zal beschikken. De VS zal haar aandeel in de export van energie-intensieve producten zien toenemen, de EU en Japan zullen het zien afnemen.

De energieprijzen hier in de EU drukken door bijvoorbeeld zelf op zoek te gaan naar onconventioneel gas en olie brengt weinig soelaas zegt het IEA. We hebben slechts één manier waarop we echt kunnen besparen op energiekosten: door minder energie te verbruiken. Het plaatst energie-efficiënte zowel in het centrum van het industrieel, energie als klimaatbeleid. Waarom horen we er dan zo weinig over? Misschien omdat energiebesparing geen duidelijke gezicht heeft. Het vergt ook een verfijnd beleid. Het is gemakkelijker om de illusie te koesteren dat we het volgende Qatar worden door steenkoolgas in Limburg te winnen. Of de nucleaire droom nog eens te herbeleven door voor een Thorium kerncentrale te gaan. 

Hoe is het intussen op de klimaatonderhandelingen? Net als ik het slot aan deze blog wil schrijven, loopt het nieuws binnen dat de Poolse minister van Leefmilieu en voorzitter van de klimaatonderhandelingen Korolec bij een kabinetsherschikking de laan is uitgestuurd. De eerste reden die op Twitter circuleert? Hij zou niet genoeg inzetten op schaliegas. No Joke.

reactiesreageer

aanpasdatum20 november 2013 | Annelies Hickendorff