Milieublog

Home > Milieublog

Milieublog: laatste berichten

Share

De stal van de Vlaamse landbouw moet uitgemest. Hoe we dat doen, maakt al het verschil

thema’sLandbouw

21/01
2016

Delen van de Vlaamse landbouwsector zitten in crisis. De kosten worden niet gedekt. Dit, samen met de toenemende vergrijzing en druk op open ruimte brengt het voortbestaan van een familiale landbouw op Vlaamse schaal in het gevaar. De keuzes die we nu maken, bepalen de toekomst van de landbouw in Vlaanderen.

1 op 4 varkensboeren is failliet

Geen grenzen aan de groei, dat kregen boeren van alle banken en erfbetreders zoals adviseurs en kopers tot voor kort te horen. Kortetermijnwinsten wonnen het van de veerkracht van de sector. Dat breekt hun nu zuur op. Eind 2015 bleek één op de vier varkensboeren virtueel failliet. De machtsconcentratie in de keten is groot en de boer trekt aan het kortste eind. Landbouwminister Schauvliege lijkt dit te erkennen en kondigt in een recent interview alvast aan om de landbouwsector weerbaar te maken tegen commerciële belangen.

Warm of koud saneren?

Vanuit een deel van de sector en van politieke partijen in Vlaanderen, maar ook in Nederland klinkt daarom de vraag om een warme sanering van de varkenssector, liefst op Europese schaal. Dit gebeurde eerder in Vlaanderen in begin jaren 2000 onder impuls van toenmalig minister Vera Dua.

Naast het sociaal drama dat zich op veel plaatsen voltrekt heeft een koude sanering, zoals die zich nu aankondigt, zijn gevolgen. In Vlaanderen zullen we sowieso naar een kleinere veestapel moeten gaan, maar de huidige crisis maakt dat veel bedrijven die investeerden in efficiënte en milieusparende maatregelen, er het eerst dreigen tussenuit te vallen. Een varkens- of melkveehouderij die niets deed, kan nu als winnaar uit de bus komen.

Ondertussen in Europa

Vanuit Europa vallen er met Phil Hogan als Europees Commissaris voor Landbouw voorlopig niet veel structurele ingrepen te verwachten. De regels van de wereldmarkt bepalen nu het spel. De afgelopen weken verschenen er rapporten over de impact van het vrijhandelsakkoord TTIP op de Europese landbouw. Het voorspelde resultaat voor de Europese boer: een nog lagere prijs voor zijn product.

Wie wint wel? De landbouw van de VS, die een competitief voordeel zal hebben als het over granen, melk en vlees gaat. Dat tonen ook Amerikaanse studies aan. De verklaring daarvoor is te vinden in schaalvoordelen, maar ook in lagere productie- en consumptiestandaarden. Zo zijn de wettelijk toegelaten pesticidenresidu’s 5000% hoger in de VS dan in de EU.

Wat we nodig hebben: een niche

Toch zien sommigen in TTIP ook kansen voor de Europese landbouw, met name voor Europese kwaliteitsproducten. Verwerkte producten met een specifieke identiteit kunnen op de Amerikaanse afzetmarkt een plaats vinden. In Vlaanderen gaan steeds meer stemmen op om van Vlaamse landbouw- en voedingsproducten een nicheproduct op de wereldmarkt te maken. Op 20 januari vond alvast een hoorzetting plaats in het Vlaams Parlement rond dit thema en de schaalvergroting in de landbouwsector.

Hoe deze transformatie eruit moet zien is nog onduidelijk, maar vast staat dat het duurzame producten zullen zijn, die nog meer dan vandaag de ecologische, economische en sociale kwaliteit moeten waarborgen. Hiervoor zal de Vlaamse landbouw, maar ook het Vlaamse consumptie- en voedingspatroon soms drastisch moeten veranderen. Een omschakeling naar aan gevarieerd, seizoensgebonden en plantaardig dieet dringt zich op. Want zowel productie en consumptie in Vlaanderen overtreden de grenzen van het te rechtvaardigen effect op mens en milieu, hier en doorheen de globale voedselketen.

reactiesreageer

aanpasdatum21 januari 2016 | Pepijn De Snijder

De luchtkastelen van Gwendolyn Rutten

thema’sKlimaat & energie

7/01
2016

Op maandagavond 4 januari verdedigde Open VLD-voorzitter Gwendolyn Rutten in Terzake het federale energiebeleid, en dan vooral de beslissing om de oudste kerncentrales open te houden. Ze beweerde dat ons land als een van de weinige in Europa erin slaagt tegelijk de kernuitstap te verwezenlijken en de klimaatdoelstellingen te halen. Wie de cijfers erbij neemt, ziet in een oogopslag dat Rutten met veel goesting luchtkastelen bouwt.

Het slechtste van twee werelden

In de ogen van Jan Modaal staat het Franse energiemodel voor kernenergie en lage elektriciteitsprijzen. Het Duitse model van de Energiewende daarentegen betekent kernuitstap en hogere prijzen. Die dienen om de investeringen in de snelle groei van hernieuwbare energie te ondersteunen. Ze blijken voor de Duitse economie positief uit te draaien. België combineert op onnavolgbare wijze de nadelen van beide modellen. Na Duitsland hebben we de hoogste elektriciteitsprijzen voor de gezinnen van alle buurlanden [1], maar we bouwen het verouderde nucleaire park en bijhorend risico niet af. Nochtans moeten de kerncentrales ooit vervangen worden.

Volgens Rutten doen wij het echter beter dan de meeste Europese landen doordat we een (uitgestelde) kernuitstap combineren met het halen van klimaatdoelstellingen. De cijfers vertellen een ander verhaal. Tussen het basisjaar 1990 en 2014 daalden de broeikasgasemissies in Duitsland met 27%, in België met 21,5% en in Frankrijk met 17%. In die periode sloot Duitsland negen van zijn zeventien kerncentrales. De Belgische en Franse draaien (opnieuw) allemaal.

Duitsland wint dubbel

De meest recente prognoses van de broeikasgasemissies voor de komende twee decennia tonen dezelfde trend nog duidelijker. Met het huidige beleid voorziet België dat de broeikasgasemissies gaan stijgen, Frankrijk dat ze nauwelijks gaan dalen en Duitsland dat ze sterk naar beneden gaan.[2] Zowel België als Frankrijk voorzien dat de uitstoot van de energieproductie de komende decennia stijgt, terwijl ze in Duitsland fors gaan dalen. Conclusie: het Duitse hernieuwbare model is superieur aan het Franse nucleaire model. Ruttens betoog in Terzake toont opvallende gelijkenissen met de mythes die het Nucleair Forum verspreidt over de Duitse Energiewende. Recent heeft BBL samen met andere milieuorganisaties die mythes één voor één ontkracht.[3]

Kernenergie matcht niet met transitie

De beslissing om de oudste kerncentrales open te houden remt de overstap naar betaalbare hernieuwbare energie af.  Daarvoor zijn er een aantal redenen. Kerncentrales produceren dag en nacht stroom en zijn moeilijk te verzoenen met flexibele energievormen zoals wind en zon. Ze bemoeilijken de investeringen in en uitbouw van een decentraal energiesysteem met vraagsturing en opslag. Komt daar nog bij dat we Doel 1 en 2 niet nodig hebben om het licht te laten branden, integendeel. We zullen windturbines moeten stilleggen omdat er te veel (kern)energie is.

Electrabel zwaait de scepter

Bovendien kun je je afvragen wie hier eigenlijk het energiebeleid bepaalt. De dominantie van Electrabel en de grootverbruikers resulteert in een transitie die de lusten en lasten onevenwichtig verdeelt en de zuurstof wegneemt voor nieuwe, innovatieve energiebedrijven en diensten. Een treffend voorbeeld hiervan: minister Marghems meest recente voorstel om een steunmechanisme voor bestaande gascentrales in te voeren. De gascentrales zitten ingekneld tussen de groei van hernieuwbare energie en het teveel aan kerncentrales, waardoor ze het de laatste jaren steeds moeilijker hebben om het hoofd boven water te houden. Door de kerncentrales langer open te houden, geeft de minister de doodsteek aan de gascentrales. Ze zullen hierdoor in de toekomst nog minder kunnen draaien. Hoe wil Marghem dit oplossen? Door de gascentrales te subsidiëren om operationeel te blijven. Naar wie zal het geld hoogstwaarschijnlijk gaan? Naar gascentrales van Electrabel, EDF, BASF en Tessenderlo. Een tweede cadeau dus voor de nucleaire spelers en enkele grootverbruikers. En een tweede klap voor al de overigen, die het steunmechanisme moeten financieren.

De energietransitie zal de komende jaren moeten opboksen tegen de slechte marktomstandigheden die de federale regering creëerde door het langer openhouden van overbodige kerncentrales. Het is opmerkelijk dat liberale excellenties fier zijn op zo een transitie waarin elk vrij initiatief nauwelijks kans maakt zonder overheidssteun. In het beste geval krijgt de energietransitie de komende jaren nog enigszins vorm door creatief knip- en plakwerk vanuit de overheid, gefinancierd met allerhande steunmaatregelen die de lage prijzen op de groothandelsmarkt compenseren. In het slechtste geval leidt die afhankelijkheid van steunmaatregelen tot jarenlang gekibbel en juridische onzekerheid rond staatssteun, die het investeringsklimaat compleet ondermijnt.

[1] http://www.creg.info/Tarifs/energiecomponent.pdf p.25
[2] http://www.eea.europa.eu/publications/trends-and-projections-in-europe-2015 p.84
[3] http://www.bondbeterleefmilieu.be/uploads/files/9%20mythes%20over%20Duitse%20Energiewende%20weerlegd.pdf

reacties3 reacties

aanpasdatum7 januari 2016 | Mathias Bienstman

Na het klimaatakkoord: tijd voor een p(a)rijsshift

thema’sKlimaat & energie

16/12
2015

Het is in het Vlaanderen van vandaag voordeliger om met de dieselwagen naar het werk te gaan, op stookolie te verwarmen of een biefstuk te eten dan om voor klimaatvriendelijke alternatieven te kiezen. Als de taxshift een antwoord was op onze hoge loonkosten, dan hebben we nu een antwoord nodig op onze lage vervuilkosten. Een ‘prijsshift’, die schone oplossingen voordeliger maakt dan de vervuilende standaardopties, kan de klimaatdoelen dichterbij brengen.

Meer dan de helft van de broeikasgasemissies stoten we uit bij activiteiten van elke dag zoals ons verplaatsen, het verwarmen van onze woning en eten. In Vlaanderen is daarbij telkens de milieuschadelijkste optie het voordeligst, ook omdat de overheid de verkeerde stimuli geeft. Een twintiger die in dienst treedt bij een bedrijf, krijgt een bedrijfswagen met een kaart om (bijna) gratis diesel te tanken. Wie op stookolie verwarmt, doet momenteel gouden zaken. En in de supermarkt kost een steak minder dan een bioburger, is koemelk goedkoper dan sojadrank.

Geen wonder dat de broeikasgassen amper afnemen
Geen wonder dat de vervuiling door broeikasgassen in die sectoren nauwelijks afneemt, ondanks het klimaatplan van de Vlaamse regering. De uitstoot van broeikasgassen was in 2013 exact 1% lager dan in 2005. Maar over 5 jaar moet ze wel al met 15,7% gedaald zijn, over 15 jaar met minstens 30%. En dat enkel om de klimaatdoelen te halen waarvan in Parijs is vastgesteld dat ze tekortschieten. Om het doel van het klimaatakkoord in Parijs te halen, de opwarming beperken tot 1,5 graden, zou de vervuiling nog eens dubbel zo snel moeten afnemen.

Dat kan enkel als de meerderheid van de Vlamingen voor duurzame oplossingen kiest. Wat pas zal gebeuren als die oplossingen aantrekkelijk, overal beschikbaar en vooral betaalbaar zijn. Een prijsshift kan de schone oplossingen goedkoper maken en de vervuilende standaardopties duurder.

Om die juiste opties goedkoper te maken, moeten we vooral rekenen op onderzoek, innovatie en marktcreatie. Denk aan de vele wetenschappers die onderzoek doen naar nieuwe batterijen, plantaardig vlees of schone verwarmingstechnieken. Of aan de ondernemers die door schaalvergroting de kosten drukken. Met de regelmaat van de klok kondigen zich doorbraken aan. Zo zal de Gigafactory van Elon Musk volgend jaar de kosten van batterijen voor energieopslag of voertuigen in een klap met  30% reduceren.

Geen 10 miljard meer voor de Poetins en Al-Saoeds
Maar de extreem lage olieprijs is een stevige waarschuwing. Vervuilen wordt nog sneller goedkoper dan de schone alternatieven. Burgerbewegingen en de overheid kunnen die evolutie keren. Nieuwe exploratie en ontginning van fossiele brandstoffen moeten we afremmen, ook met een desinvesteringscampagne die spaargeld weghaalt van de fossiele industrie. Net zo zijn grootschalige investeringen in de infrastructuur van het verleden financieel dubieus. De nieuwe oliekraker van Exxon in de Antwerpse haven is een miljardeninvestering die nu al achterhaald is. 

Bedrijfswagens en vlees zijn kunstmatig goedkoop door overheidssteun. Onze overheden moeten die (fiscale) stimuli heroriënteren. Met een stevige koolstoftaks ten slotte moeten ze de unieke opportuniteit om de economie te versterken, aangrijpen. Want enkel door olie en gas wat duurder te maken, hebben de schone oplossingen een kans. Het geld van de koolstoftaks kunnen we gebruiken om andere belastingen te verlagen. Zo blijft de meer dan 10 miljard euro die we nu jaarlijks aan de Poetins en Al-Saoeds van deze wereld geven voor de levering van olie en gas, in onze economie. 

reactiesreageer

aanpasdatum16 december 2015 | Mathias Bienstman

Hoe de Antwerpse petrochemie het Belgisch klimaat- en energiebeleid dirigeert

thema’sKlimaat & energie

2/12
2015

Met de verlenging van Doel 1 en 2 drukt de Antwerpse petrochemie definitief haar stempel op het Belgische energiebeleid. De grootste verbruikers in ons land zijn erin geslaagd om alleen voor zichzelf de allerlaagste energie- en elektriciteitsprijzen te verkrijgen. Alle nadelen, kosten en risico's van hun strategie komen terecht bij de burgers, kmo's en groene ondernemers.

Het was een vraag die ons de afgelopen weken hoofdbrekens bezorgde. Waarom overweegt de federale regering in hemelsnaam om kerncentrales open te houden die niet eens nodig zijn om het licht te doen branden? Dat zorgt toch enkel voor problemen, dachten we. Kerncentrales produceren nucleair afval en zijn een rode lap voor (loslopende) terroristen. De laatste jaren bleken ze ook allesbehalve betrouwbaar. Bovendien krijgen alle ondernemingen en coöperatieven die de energiemarkt willen vernieuwen, geen kans door de dominantie van de afgeschreven kerncentrales.

Wie de blik richt op de industrie in de Antwerpse haven, kan de keuze al beter begrijpen. In die haven is er een groep grote ondernemingen actief die heel wat energie en elektriciteit verbruiken. Ze zijn er als de dood voor dat de prijs ervan omhoog gaat. Die bedrijven geven aan bevriende partijen één richtlijn. Zorg ervoor dat er energiezekerheid is voor ondernemingen aan de laagste kost. De ondernemingen hebben het recht om daarvoor te ijveren. Het is immers aan politici om verschillende belangen in evenwicht te brengen.

Maar met de N-VA aan het stuur, gebeurt dat steeds minder. Zowel in de Vlaamse als de federale regering ijvert de partij met volle kracht voor de belangen van de Antwerpse petrochemie. De N-VA sloot een verbond met de MR om alle kerncentrales langer open te houden want dat levert bodemprijzen op voor de grootverbruikers, zeker als het aanbod van kernenergie ruim genoeg is. Die grootverbruikers onderhandelen hun contracten rechtstreeks met Electrabel of kopen op de groothandelsmarkt. Behalve Electrabel heeft dus ook de petrochemie er (op korte termijn) belang bij dat alle kerncentrales openblijven.

De gezinnen en kmo's ondervinden de nadelen. De nucleaire rente, dat zijn de inkomsten van de staat, gaat naar beneden. Het geld is immers nodig om de oude kerncentrales op te lappen. De overheid en belastingbetalers dragen ook nog steeds de nucleaire risico's, die door Electrabel niet volledig gedekt zijn met verzekeringen.

Dat patroon van ongelijke lusten en lasten is intussen een constante in het energiebeleid van de Vlaamse en federale regering. Waarom krijgt ieder Vlaams gezin een factuur van 100 euro per jaar om de groene stroom te bekostigen? Omdat diezelfde grootverbruikers niet eerlijk mee betalen. De onrechtvaardigheid van de regeling van de Vlaamse regering is zelfs dermate dat Unizo en Boerenbond het werkgeversfront voor het eerst in lange tijd braken. In een advies van de Minaraad geven ze - zij aan zij met vakbonden en milieubeweging - stevige kritiek op de overdreven voordelen voor de multinationals.

Waarom zit het klimaatakkoord al jarenlang geblokkeerd? Omdat diezelfde grootverbruikers in Vlaanderen niet willen meebetalen aan de uitbouw van hernieuwbare energie, maar wel alle inkomsten uit emissierechten willen opstrijken. Via de vergoeding voor 'indirecte emissiekosten' zijn ze er al in geslaagd om het grootste deel van de pot geld die op tafel ligt bij de onderhandelingen, binnen te halen. Die positie van de energie-intensieve industrie zorgt er mee voor dat de Vlaamse regering zich zo stroef opstelt in de onderhandelingen.

We hebben nu een klimaat- en energiebeleid dat gedirigeerd wordt door de Antwerpse petrochemie. De energiefactuur die in uw bus valt, vertelt in één oogopslag wie ervoor betaalt en wie ervan geniet.

reactiesreageer

aanpasdatum2 december 2015 | Mathias Bienstman

De fabriek van de terroristen draait op olie

thema’sKlimaat & energie

18/11
2015

President Hollande noemde in zijn toespraak voor de verzamelde parlementen IS "een fabriek voor terroristen". Wie zich afvraagt op welke brandstof die fabriek draait, hoeft niet ver te zoeken: olie. Het zwarte goud is de belangrijkste inkomstenbron van IS. Het zal de afkeer van olie en andere fossiele brandstoffen bij de publieke opinie enkel voeden. Onze regeringen kunnen het perspectief bieden op een uitweg. Ze moeten het uitfaseren van fossiele brandstoffen opnemen in het klimaatakkoord van Parijs.

Daags na de wrede aanslagen in Parijs kwam de oliesmokkel van IS opnieuw in de aandacht. President Poetin toonde aan zijn collega's in de G20 foto's van kilometers lange colonnes tankwagens die olie exporteerden van velden onder de controle van IS. Dezelfde dag kwam het bericht dat de Amerikaanse luchtmacht 116 van die trucks vernietigd had.

We weten al langer dat olie de belangrijkste inkomstenbron is van de terreurorganisatie. Onderzoekjournalistiek van onder meer de Financial Times onthulde dat de productie en smokkel van olie IS iets tussen de 270.000 en 3 miljoen euro per dag zou opleveren. Die trafiek loopt van oliebronnen in Syrië en Irak langs verschillende (kleine) raffinaderijen tot afzetmarkten in de regio.

IS overleeft niet enkel op ontvoeringen en oliegeld. Ook giften van gefortuneerde individuen uit Saudi-Arabië en de Golfstaten hebben de terreurorganisatie zeker in de beginperiode mee grootgemaakt. Enkel door die geldstroom kon ze tienduizenden strijders aantrekken, bewapenen en vergoeden. Fracties in die oliestaten zagen IS een tijd lang als een middel om regionale rivalen zoals het sjiitische Iran een hak te zetten.

Een belangrijk deel van de olie en het gas in Europa komt van dubieuze regimes zoals Saudi-Arabië, Qatar en Rusland. Na het neerhalen van vlucht MH17 boven Oekraïne, een aanslag die het leven kostte aan 298 mensen van wie 193 Nederlanders, voelden veel van onze noorderburen zich ongemakkelijk bij de Europese afhankelijkheid van Russisch gas. Voedt Europees geld niet (onrechtstreeks) de machtspolitiek van Poetin? Net zo zou de geldstroom vanuit Europa naar regimes zoals het Saudische steeds wranger kunnen smaken. Want de regionale conflicten, de verspreiding van een ultraconservatieve interpretatie van de islam en het ontstaan van terreurorganisatie IS werden alle gevoed met oliegeld.

Hebben we de mogelijkheid om niet langer beroep te doen op gas uit Rusland of olie uit het Midden-Oosten? Het alternatief dat we in de jaren 70 kozen, nucleaire energie, is door de terrorismedreiging een stuk minder aantrekkelijk. Bovendien is kernenergie enorm duur. Maar door de doorbraken in technologieën voor hernieuwbare energie en energiebesparing beschikken we nu over een ruimer pallet aan mogelijkheden. En dit aan een steeds lagere kostprijs.

We kunnen met investeringen, die zichzelf terugbetalen, volledig onafhankelijk worden van fossiele brandstoffen. Maar het is wel een transitie en investeringsprogramma dat op Europees niveau minstens dertig jaar duurt. Op korte termijn is het dus geen antwoord. Maar het biedt wel een perspectief om een belangrijke financieringsbron van conflicten, geweld en terrorisme op termijn te laten uitdoven, hoewel dat geen garantie is dat daarmee ook het terrorisme verdwijnt.

Het is precies in Parijs dat er over twee weken, tijdens de klimaatconferentie, een sterk signaal kan komen. Het klimaatakkoord moet de ambitie bevatten om op termijn het gebruik van fossiele brandstoffen wereldwijd te bannen. Zo blijft een belangrijke bron van conflict en geweld onder de grond.

reactiesreageer

aanpasdatum18 november 2015 | Mathias Bienstman

Bossen in plaats van verkavelingen

thema’sRuimte en natuur

10/11
2015

Als iemand een bos kapt om woningen te bouwen of een bedrijf uit te breiden, moet dat gecompenseerd worden. In de praktijk worden er echter meer bomen gekapt dan opnieuw geplant. Een van de knelpunten is het tekort aan gronden om te bebossen. In Vlaanderen ligt nochtans een grote reserve aan bouwgronden, die we niet nodig hebben om de bevolkingsgroei op te vangen. Bond Beter Leefmilieu stelt daarom voor die woonuitbreidingsgebieden om te vormen tot bosuitbreidingsgebieden.

Een gekapt bos compenseren, kan door zelf nieuwe bomen aan te planten of door geld te storten in het Boscompensatiefonds. Met dat geld kunnen het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) en gemeentebesturen dan bebossingsprojecten uitvoeren. Maar dat geld geraakt niet op. Sinds de oprichting van het fonds in 2002 heeft het Boscompensatiefonds een spaarpot van liefst 8 miljoen euro opgebouwd. De achterstand in het heraanplanten van verdwenen bossen is opgelopen tot meer dan 1.500 ha.

Te weinig en te dure grond

Met het geld uit het Boscompensatiefonds kopen gemeenten en het ANB gronden aan voor herbebossing. Volgens het bosdecreet is dat enkel mogelijk in groengebied, landbouwgebied of recreatiegebied. En daar knelt het schoentje. Door de voortdurende verstedelijking is er steeds minder open ruimte in Vlaanderen. Op de plekken die nog overblijven, blijft de concurrentie tussen bos/natuur, landbouw en recreatie toenemen.

Jaarlijks gaat meer dan 2.000 ha aan open ruimte voor de bijl voor nieuwe woningen, wat neerkomt op liefst 12 voetbalvelden per dag. Verder worden heel wat leegkomende boerderijen opgekocht door niet-landbouwers om er een woning of een bedrijf van te maken. Vaak gaat dit ook gepaard met het omzetten van aanpalende landbouwgronden in bijkomende tuinen. Men spreekt dan van 'de vertuining van het landschap'. Naar schatting wordt een dikke 10 procent van het agrarisch gebied in beslag genomen door tuinen. En dan is er nog de 'verpaarding van het landschap'. Ongeveer een derde van alle weilanden bestaat uit hobbyweiden van mensen die paarden houden.

Door die verstedelijking, verpaarding en vertuining staat er steeds minder open ruimte te koop. En stijgen de prijzen. Voor landbouwgrond bijvoorbeeld betaalde je in 2000 gemiddeld 17.000 euro per ha, in 2010 was dat al 28.000 euro. Maar omdat de tarieven voor boscompensatie nog nooit zijn verhoogd of zelfs maar geïndexeerd, hebben de ANB en gemeentebesturen het steeds moeilijker om gronden voor herbebossing te kopen.

Ondertussen liet minister Schauvliege (CD&V) via de pers een ballonnetje op. Ze wil de 8 miljoen uit het Boscompensatiefonds verdelen over alle gemeenten in Vlaanderen, afhankelijk van hun inwonersaantal en oppervlakte. Dat biedt echter geen oplossing voor het echte probleem: te weinig en te dure grond.

Bebos de woonuitbreidingsgebieden

De grote druk op ruimte komt steeds opnieuw naar boven als een belangrijk knelpunt. Is de situatie in het kleine en dichtbevolkte Vlaanderen hopeloos? Zeker niet. En al helemaal niet als er zuinig en doordacht met de woongebieden wordt omgesprongen.

De oppervlakte van niet-bebouwde woongebieden bedraagt ruim 42.000 ha, waaronder 12.000 ha woonuitbreidingsgebied. Bevolkingsprognoses geven aan dat Vlaanderen de komende decennia zal groeien van 6 naar 7 miljoen inwoners, wat maakt dat er tegen 2030 nood is aan 330.000 extra woningen.
Uitgaande van de huidige woningdichtheid, zou er slechts 17.000 ha nodig zijn. Wat maakt dat er 25.000 ha overblijft.

Daarbinnen liggen de woonuitbreidingsgebieden. Die waren bij het opmaken van de gewestplannen bedoeld als reservezones voor woningen, voor het geval er in de echte woonzones geen plaats meer is. Die plaats is er duidelijk wel.

Lobbygroep

Toch werden de voorwaarden voor het verkavelen van woonuitbreidingsgebieden de afgelopen jaar stelselmatig verder versoepeld. Een van de achterliggende verklaringen is dat veel van die gebieden in handen zijn projectontwikkelaars en vastgoedbedrijven. Dat is een sterke lobbygroep.

Ook nu weer lijkt minister Schauvliege van plan om het verkavelen van die reservegebieden verder te versoepelen. Veel van die woonuitbreidingsgebieden zouden nochtans zeer zinvol kunnen ingezet worden voor bos en natuur. Het gaat vaak om grotere, aangesloten stukken grond. Ze zijn dikwijls ook gelegen aan de rand van gemeenten, waardoor ze de vraag naar 'natuur dichtbij' kunnen invullen.

Daarom alvast dit voorstel aan minister Schauvliege, die binnenkort een nieuwe omzendbrief over woonuitbreidingsgebieden uitvaardigt. Vorm de overbodige woonuitbreidingsgebieden om tot bosuitbreidingsgebieden. En stel ze open voor herbebossingsprojecten. Zo pakken we het knelpunt van het gebrek aan ruimte voor nieuwe bossen aan bij de wortel. En zetten we een rem op de voortdurende verstedelijking van ons platteland.

reactiesreageer

aanpasdatum10 november 2015 | Erik Grietens

Ecomodernisten: niet modern en nog minder eco

thema’sKlimaat & energie, Milieubeweging

2/10
2015

Twee ecomodernisten –Ted Nordhaus en Linus Blomqvist – verbleven deze week op Belgische bodem. De ecomodernisten gaan er prat op dat ze komaf maken met de taboes van de milieubeweging zoals kernenergie, GGO’s en intensieve landbouw. Dat mag dan wel tot boeiende debatten leiden, een goede leidraad voor het milieubeleid is het niet.

De toon en inhoud van het Ecomodernistisch manifest [1] lijkt op het eerste zicht naadloos aan te sluiten bij een ondernemingsvriendelijke, groene visie. De sympathiserende website backcover.be schrijft:

“ [de ecomodernisten] keren zich tegen het doemdenken dat maar al te vaak het groene discours overheerst en houden ingesleten groene opvattingen kritisch tegen het licht. Technologische innovatie, menselijk vernuft, ambitie en ondernemerschap beschouwen deze vernieuwers als mogelijke oplossingen die moeten worden aangemoedigd.”

Dat klinkt veelbelovend en heeft in Vlaanderen alvast de interesse gewekt van parlementsleden van Open Vld en N-VA.

Het Ecomodernistisch manifest opent met drie centrale ideeën: in kennis en technologie ligt de sleutel tot een geweldig nieuw tijdperk voor de mens (het Antropoceen), de menselijke ontwikkeling moet zich ontkoppelen van de natuur en daarvoor is een intensivering van tal van menselijke activiteiten nodig. Na een lange historische beschrijving komen de auteurs tot de vaststelling dat de welvaartscreatie moet ontkoppeld worden van de impact op de natuur en het milieu.  Dat kan door andere technologieën te gebruiken of hulpbronnen productiever aan te wenden.

Halfweg het Ecomodernistisch manifest volgt een keuze voor de geschikte technologieën. De auteurs schrijven:

“Verstedelijking, intensivering van de landbouw, kernenergie, aquacultuur en ontzilting zijn allemaal processen met een aangetoond potentieel om de menselijke druk op het milieu te verkleinen en zo meer ruimte te creëren voor niet-menselijke soorten. De ontwikkeling van voorsteden, landbouw met een lage opbrengst en vele vormen van hernieuwbare energie vragen daarentegen over het algemeen meer land en hulpbronnen en laten minder ruimte over voor natuur.”

Die focus op individuele technologieën, die vanuit één criterium - ‘intensivering’ - gekozen worden, wijkt sterk af van de stand van het milieudebat en de groeiende consensus over de weg vooruit. Om dat te illustreren, gaan we in op de energietransitie.

Kernenergie: beetje voordeel, veel nadeel

Kernenergie heeft enkele voordelen en vele nadelen. Na Fukushima viel de technologie wereldwijd uit de gratie. Het is onveilig, duur en zadelt de komende generaties met nucleair afval op. Meer recent tracht de sector zijn blazoen op te poetsen door de technologie als een klimaatoplossing te presenteren. Dat pleidooi valt hier en daar in goede aarde. Zo verdedigt onze minister van Energie Marghem nucleaire energie in aanloop naar de klimaatconferentie in Parijs dit najaar[2]. Kerncentrales zouden noodzakelijk zijn in een wereld die geen fossiele brandstoffen meer mag gebruiken. Het Ecomodernistisch manifest geeft dezelfde verhaallijn een boost.

Maar is nucleaire technologie werkelijk onmisbaar voor de energietransitie? De belangrijkste spelers in de energiewereld hebben elk hun eigen publicaties waarin ze vooruitblikken. Zo publiceert de oliemaatschappij British Petroleum (BP) een Energy Outlook, maakt het internationaal energieagentschap (IEA) de toonaangevende Energy Technology Perspectives (ETP) en brengt het klimaatpanel van de VN een samenvatting van de wetenschappelijke literatuur in de veelbesproken IPCC-rapporten. In niet één van die gezaghebbende toekomstscenario’s speelt kernenergie een belangrijke rol in de toekomstige energievoorziening.

Het IEA is vanuit zijn ontstaansgeschiedenis kernenergie het meest gunstig gezind. Zijn visie op de rol van die technologie in 2050 in het klimaatvriendelijk 2DS scenario? Kerncentrales zorgen dan voor één tiende van de energie. De rol in het terugdringen van broeikasgassen? Zeer beperkt. Energie-efficiëntie, hernieuwbare energie, een wissel in de gebruikte brandstoffen en CCS zijn vele malen belangrijker volgens de conservatieve modellen van het IEA.[3]

De scenario’s van het IPCC leren dat de wereld perfect de klimaatdoelstellingen kan halen zonder kernenergie. Hoeveel kost de transitie meer als we die risicovolle technologie links laten liggen? Een schamele 7 procent. Ter vergelijking: zonder CCS (‘carbon capture and storage’, CO2-afvang en -opslag) kost de transitie 138 procent meer. Te lang wachten met een ambitieuzer klimaatbeleid doet de kosten stijgen met 28 procent.[4]

Het rekenwerk voor de Europese Low Carbon Roadmap ten slotte leert dat de kosten van het scenario dat kernenergie uitfaseert, nauwelijks afwijken van de andere scenario’s.[5] Wat centraal staat in de meeste transitiescenario’s is een combinatie van doorgedreven energiebesparing, een snelle groei van hernieuwbare energie en op termijn CCS. Greenpeace presenteerde onlangs een update van haar baanbrekend Energy Revolution rapport waarin er zelfs een mondiaal energiesysteem met 100% hernieuwbare energie in 2050 is gemodelleerd.

De energietransitie is niet alleen mogelijk zonder kernenergie, maar bespaart ons net heel wat risico’s en kost nauwelijks meer. Dat bewijst Duitsland in de praktijk. Het land sluit zijn kerncentrales, laat tegelijk de CO2-uitstoot dalen en mikt tegen 2020 op 40 procent minder broeikasgassen dan in 1990. België heeft met kerncentrales alle moeite van de wereld om een reductie van 20 procent te bereiken. Duitsland heeft een sterke groei van hernieuwbare bronnen, een erg betrouwbare elektriciteitsvoorziening en lage groothandelsprijzen. [6]

De juiste vragen

Maar bovenal lijken de ecomodernisten met hun pleidooi voor één technologie de kern van het energiedebat te missen. De uitdaging voor de transitie ligt niet zozeer op het niveau van individuele technologieën maar wel in de systemische dimensie, het gewenste beleid en de politieke economie.

Op het niveau van het energiesysteem komen vragen op over nieuwe marktmodellen en investeringszekerheid, het optimaal evenwicht tussen vraagbeheer, opslag en de uitbreiding van de productiecapaciteit of de aard van de toekomstige slimme netten. Dát zijn momenteel de boeiende debatten. Niet of een nieuwe kerncentrale voor “energie met een hogere dichtheid” zorgt dan een windmolen op land.

De Belgische situatie leert dat het pleidooi van de ecomodernisten uitmondt in exact het tegendeel van wat ze claimen. Het oplappen van stokoude kerncentrales fnuikt in ons land de technologische innovatie, is een belediging voor het menselijk vernuft en zet een rem op ambitie en ondernemerschap. In tegenstelling tot Duitsland draait de energietransitie hier vierkant. De nucleaire basislast doorkruist elke ruimte voor vernieuwing. Zelfs jarenlange voorstanders van nucleaire energie, zoals Ronnie Belmans, verkondigen dat nu luidop. Z’n mening: “Kernenergie? Zo dood als een pier”.[7] Steeds meer experts komen er op uit dat de tijd van grote centrales die voor een basislast instaan, voorbij is. De toekomst is aan netwerken en gedistribueerde energie.[8]

Het ontbreken van de politiek economische dimensie en een visie op gewenst beleid is een ander tekort van het ecomodernistisch verhaal. Zelfs als alle geschikte technologie voor handen zou zijn om “te ontkoppelen”,  is er nog geen enkele garantie dat het ook daadwerkelijk gebeurt. Dit komt omdat heel wat ondernemingen en landen er belang bij hebben dat we steenkool of olie blijven gebruiken. Hoe vanuit de samenleving en het beleid de macht van het oude, fossiele spelers afbouwen of de padafhankelijkheid van het energiesysteem doorbreken, zijn cruciale vragen die het techno-optimistisch discours van de ecomodernisten ontwijkt.

Opgeblazen technologisch optimisme

We gingen dieper in op het energievoorbeeld, maar hetzelfde geldt voor de andere voorbeelden. De focus op één technologie verdoezelt het systemisch karakter van de cruciale vragen over bijvoorbeeld landbouw of de verstedelijking. Dat alles roept het gevoel op dat de ecomodernisten ofwel blijven steken in een haast kinderachtige omkering van de zogenaamde taboes van de milieubeweging, ofwel dat er meer speelt. Dirk Holemans verwoordt in een opiniestuk het vermoeden  dat de ecomodernisten bepaalde, bestaande machtsverhoudingen in stand willen houden. Om die reden vertroebelen ze het milieudebat met een opgeblazen technologisch optimisme.

De technologieën die de ecomodernisten naar voren schuiven, hebben een opvallend punt gemeen: ze versterken de vorming van (staats)monopolies in de energie- en landbouwmarkten. Daarmee staan ze lijnrecht tegenover het vrij initiatief van burgers en bedrijven. Nucleaire energie heeft een lange geschiedenis van staatsinmenging en monopolievorming omwille van het strategisch belang en het proliferatierisico, de onverzekerbaarheid van ongevallen en nood aan het centraal structureren van het energiesysteem omheen een handvol reactoren. Net zo heeft Monsanto een quasi monopolie voor vele GGO-gewassen zoals maïs en soja. In die zin verwondert het dat liberaal Philippe De Backer de ecomodernisten een forum gaf in het Europees parlement.

Wie even rondkijkt op het net, merkt dat het ecomodernisme tot levendige debatten leidt. Maar dat maakt het nog geen goede leidraad voor een toekomstgericht  milieu-, energie- of landbouwbeleid.

[1] Zie voor een vertaling www.backcover.be/artikels/item/168-ecomodernistisch-manifest-de-start-van-een-nieuwe-milieubeweging
[2] www.lavenir.net/cnt/DMF20150914_00702488
[3] Zie de toepassing ‘emission reductions’ in ETP 2015 www.iea.org/etp/explore/
[4] Tabel SPM 2, SPM IPCC AR5 WG3 www.ipcc.ch/pdf/assessment-report/ar5/wg3/ipcc_wg3_ar5_summary-for-policymakers.pdf (p.15)
[5] European Commission, 2011: Energy Roadmap 2050. Impact assessment and scenario analysis, ec.europa.eu/energy/sites/ener/files/documents/sec_2011_1565_part1.pdf
[6] Zie het dossier ‘de mythes over de Energiewende ontkracht’, te verschijnen.
[7] www.standaard.be/cnt/dmf20150703_01762089
[8] reneweconomy.com.au/2015/head-of-uks-national-grid-says-idea-of-large-power-stations-for-baseload-is-outdated-53893

reactiesreageer

aanpasdatum2 oktober 2015 | Mathias Bienstman

Renovatiepact: de letters zijn er, nu de huizen nog

thema’sKlimaat & energie, Milieu & politiek

23/09
2015

Het renovatiepact is een feit. Tegen 2050 zullen alle woningen energiezuinig zijn. Daar zijn de Vlaamse regering, de bouwsector, milieubeweging en armoedeorganisaties het over eens. En dat is een belangrijke stap. Toch moeten we onze ogen openhouden: komen al die energiezuinige woningen er ook echt?

Nu iets beloven tegen 2050 lijkt makkelijk. Op het einde van deze legislatuur rekent niemand je hier op af. Maar het is broodnodig. De klimaatverandering vraagt om een planning op de lange termijn. De Vlaamse regering lijkt daar nu voor het eerst in te slagen. 
Willen we de klimaatopwarming binnen de perken houden, moet de CO2-uitstoot in Europa tegen 2050 met 80 tot 95 procent dalen. Voor gebouwen betekent dit een besparing van 90 procent CO2. Dat is niet min. Beeld je even in: geen stookolie- of gasketels meer. Alle huizen ingepakt met een laag isolatie in dak, muren en vloeren. Overal superisolerend glas. Dat realiseer je niet van vandaag op morgen. Ook al lijkt 2050 ver weg, we moeten nu in actie schieten. 

Een doelstelling die de klimaattoets doorstaat 
Het voorstel dat vandaag op tafel ligt, een energiepeil van E60 voor alle woningen tegen 2050, doorstaat de klimaattoets niet. Om de CO2-uitstoot met 90 procent te laten dalen, zijn extra stappen nodig. Woningen mogen binnen dit en 35 jaar zo goed als geen energie meer verbruiken. De energie die nog nodig is, wekken ze op met hernieuwbare bronnen. Onze huizen worden zo kleine energiecentrales die met hun zonnepanelen ook stroom leveren aan het net. 

Klinkt dit onhaalbaar? Toch niet: talloze voorbeelden tonen dat het zelfs vandaag al perfect mogelijk is. Tijdens de opendeurdagen van Ecobouwers in november, kun je zien hoe mensen bij de bouw of renovatie van hun huis resoluut voor de lange termijn kiezen. Een bevraging bij deze ecobouwers leert dat zij door duurzaam te bouwen tot 75 procent op hun energiefactuur besparen. En daarbij boeten ze zeker niet aan wooncomfort in.

Een stappenplan voor iedere woning 
90 procent minder uitstoot tegen 2050 dus. Maar de burger mag niet aan zijn lot overgelaten worden. Advies op maat voor elke bouwheer en een stapsgewijze renovatie, dat is de boodschap. Plus extra aandacht voor mensen in (energie)armoede. Een energiezuinige woning, biedt hen de beste garantie voor een betaalbare energiefactuur. Extra ondersteuning en begeleiding op maat moeten er voor zorgen dat deze mensen de boot niet missen.

Kortom: het renovatiepact is een mooie kans, we moeten die grijpen en volop gaan voor een ambitieuze uitvoering. Voor het klimaat is het een noodzaak. En voor onze portemonnee een leuk extraatje. 

reactiesreageer

aanpasdatum23 september 2015 | Sara Van Dyck

Niet alleen Volkswagen bedriegt ons

thema’sVerkeer, Lucht

23/09
2015

Dit weekend kwam een van de grootste milieuschandalen ooit aan het licht. Een schandaal dat ons treft via de lucht die we inademen. Volkswagen manipuleerde jarenlang bewust de tests die meten of dieselwagens niet te veel giftige stoffen uitstoten. Door een stukje software presteerden de wagens goed op de testbank maar ontzettend slecht in realiteit. Het resultaat: honderdduizenden wagens in de VS stoten tot 40 maal te veel giftige stikstofoxiden uit.

We weten al jarenlang dat ook de dieselwagens in Europa tot 5 maal meer stikstofoxiden uitstoten dan toegelaten. Het probleem beperkt zich niet tot Volkswagen. Uit een pas gepubliceerd rapport van Transport & Environment blijkt dat 9 op de 10 nieuwe dieselwagens de uitstootnormen niet halen. Dit schandaal zal dus nog een serieuze staart krijgen, ook in Europa. Tenminste, als de waarheid volledig naar boven komt.

De autolobby

Een viertal jaar geleden kreeg ik voor het eerst data te zien over de bar slechte uitstootcijfers van dieselwagens. Op dat ogenblik was Vlaanderen bezig met de ‘vergroening’ van de belasting op de inverkeersstelling (BIV). Diesels zouden het minst belast worden omdat ze op papier proper zijn. Ik was geschokt. Met heel wat organisaties trokken we aan de alarmbel. We zetten alles op alles om de situatie te keren. Er was een hoorzitting in het Vlaams parlement en moedige interventies van parlementsleden zoals Bart Martens (SP.A) en Wilfried Vandaele (N-VA) waren nodig om het voorstel van de regering bij te sturen.

Uiteindelijk kregen Euro 5-dieselwagens een zwaardere taks opgelegd omwille van de slechte, reële emissies van stikstofoxiden. Tot op vandaag worden Euro 6-dieselwagens nog altijd onterecht bevoordeeld, hoewel de bevoegde ministers van plan zijn om de regeling aan te passen.

De praktijk

In 2011 dacht ik dat dieselvoertuigen minderwaardige katalysatoren gebruikten die het in reële rijomstandigheden lieten afweten. Maar nu blijkt dat het erger is. Technologie om giftige stikstofoxiden weg te filteren bestaat en is zelfs in de wagens geïnstalleerd. Maar een stukje software zorgt ervoor dat ze uitgeschakeld wordt om de rijprestaties te verbeteren.

Dat is misdadig in de meest strikte zin van het woord: de mogelijkheid om schade en leed te voorkomen is er, maar de wagenproducenten doen het bewust niet. De luchtvervuiling treft iedereen in Vlaanderen, in de eerste plaats stadsbewoners en de mensen die langs drukke wegen wonen. Door de uitstoot van de vele dieselvoertuigen haalt Vlaanderen de luchtkwaliteitsnormen voor stikstofoxiden niet . De gezondheidsschade is hoog en wetenschappelijk bewezen. Toch hebben wagenproducenten het gevoel dat ze boven de wet staan. Hoe kan dat?

Zoals de banken

De politiek moet tot inkeer komen. Die vraag moet centraal staan in de afhandeling van dit schandaal. Net zoals de bankensector zitten we hier blijkbaar met een aantal ondernemingen die geen zier geven om het maatschappelijk welzijn. Keer op keer merken we achter de schermen hoe de voertuigproducenten de milieunormen afzwakken en uithollen. Zelfs toppolitici bezwijken onder hun druk. Zo is Angela Merkel een aantal jaar geleden nog tussen gekomen om CO2-normen af te zwakken, hoewel er al een Europese consensus was. Ze wou daarmee BMW en andere Duitse fabrikanten uit de wind zetten.

Vrachtwagenproducenten schakelden op hun beurt Franse toppolitici in om regulering over de vorm van de cabines af te zwakken. Die nieuwe regels konden nochtans heel wat verkeersdoden voorkomen.

Tegengif

In plaats de achterblijvers te verdedigen zouden beleidsmakers de voorlopers moeten versterken. Zoals in elke crisis moeten we de huidige situatie ten volle benutten voor een positieve verandering. Dat betekent: de waarheid volledig naar boven brengen, de verantwoordelijken voor de rechter dagen en de regels en controle op de uitstoot verstrengen, ook door de oprichting van een onafhankelijke controleautoriteit.

Bovenal moet er een wagensector opstaan die niet langer de bevolking bedot maar een deel wil zijn van de oplossingen voor de 21ste eeuw. Daarin inspireert Tesla: de Amerikaanse onderneming plaatst haar innovatie en producten in het breder kader van een overgang naar 100% propere en hernieuwbare energie. Een visie op de lange termijn is het tegengif voor cynische kortetermijnpolitiek en geldgewin.

reactiesreageer

aanpasdatum23 september 2015 | Mathias Bienstman

Allemaal Boer(in): hoe gaat de nieuwe landbouw eruitzien?

thema’sLandbouw

4/09
2015

De varkens- en melkveehouderij kreeg dit jaar rake klappen. Op de Europese top van 7 september moet de landbouwcrisis politiek bedwongen worden. Het is ook de dag dat de Europese boeren betogen, om te tonen dat het hen menens is. Dat verandering noodzakelijk is, staat vast. Maar de hamvraag is voorlopig nog open: welke weg slaan we in?

Burgers en boeren

Dat er structurele problemen zijn, is duidelijk. Een liter melk bleek in Groot-Brittannië minder te kosten dan een liter water. Voor sommigen gaat het debat over niet minder dan de leefbaarheid van de landbouw. Zeker is dat een faire prijs, voor product en arbeid, het uitgangspunt moet zijn voor de toekomst.

De grote Vlaamse landbouworganisaties roepen alvast op om een aantal maatregelen te nemen. Zij vragen terecht om meer solidariteit met de boer en tuinder, tijdelijke productiebeperkingen en een eerlijke keten. Problematisch is dat ook meer exportondersteuning op hun eisenlijstje staat, net als een verminderde aandacht voor vergroening binnen het Europese Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB).

Zowel de Vlaamse en federale overheden kondigden maatregelen af om de sector te ondersteunen. Voorlopig lijken deze vooral op korte termijn de pijn te verzachten. Ze stellen het huidige landbouwsysteem niet in vraag. Business as usual: op naar de volgende crisis en ondertussen hopen dat de productie elders tegenvalt zodat we hier een graantje extra meepikken.

De echte vraag is of België varkens en melk voor overzeese markten moet produceren -- meestal dan nog met voeder uit Zuid-Amerika. Lokale en globale handel in voedsel zijn beide weliswaar nodig, maar de manier waarop moet kritisch beoordeeld worden. Bovendien is duidelijk dat we op termijn de impact van vlees en de melkveehouderij op het klimaat en het milieu ook in rekening moeten brengen. Daarom moeten we het systeem ook over de Europese grenzen heen herbekijken.

Boerenlandbouw

Een alternatief weg kan die van een boerenlandbouw (*) zijn: dat past binnen het concept van de agro-ecologie, landbouw op maat van mens en milieu. In de agro-ecologie wordt het landbouw- en voedselsysteem in zijn geheel bekeken en speelt de keten en de burger/consument een grote rol.

De dag voor de Europese landbouwraad vindt in Brussel een evenement plaats om dit alternatief naar voor te schuiven. Hier kunnen de burger, consument en producent met het hele gezin de boerenlandbouw komen ondersteunen. De wederzijdse relatie tussen boer(in) en burger wordt in de verf gezet. De consument heeft een deel van de oplossing in eigen hand, namelijk waar en van wie we ons voedsel kopen. Afspraak dus op 6 september voor Allemaal Boer(in) in het Jubelpark te Brussel.

> Oproep Allemaal Boer(in)!

______
(*) De boerenlandbouw staat voor duurzaam gebruik van ecologisch kapitaal en is gericht op de verdediging en ontwikkeling van het familiaal levensonderhoud. Deze vorm is dikwijls multifunctioneel en gediversifieerd en wordt bedreven met familiale arbeid of arbeid die komt uit de landelijke omgeving. Het boerenbedrijf is voor het grootste deel familiebezit en productie is zowel gericht op de markt als op de reproductie van het bedrijf en de familie. (Louis De Bruyne naar Jan Douwe van der Ploeg)

reacties2 reacties

aanpasdatum4 september 2015 | Pepijn De Snijder