Milieublog

Home > Milieublog

Milieublog: laatste berichten

Share

Wind op zee in woelige wateren

thema’sKlimaat & energie

3/06
2016

7 jaar moesten we wachten op een Belgisch klimaatakkoord. Nu, vijf maanden later, brengt de federale minister van Energie Marie-Christine Marghem (MR) het al in gevaar. Ze brak op de valreep de onderhandelingen open over de overheidssteun voor twee nieuwe windparken op zee, Rentel en Norther. De investeerders dreigen ermee af te haken. De projecten zullen zo goed als zeker vertraging oplopen. Dat is slecht nieuws: het behalen van de federale doelstellingen voor hernieuwbare energie komt ermee in gevaar.

De talmende minister

Althans, daarvoor waarschuwt de sector voor offshore windenergie. Die stelt dat het installeren van de voorziene 2.200MW windenergie tegen 2020 moeilijk wordt. ďIn de sector gelooft niemand dat het nog mogelijk is om de vijf windmolenparken tegen 2020 operationeel te hebben. De reden is de aanhoudende onduidelijkheid over het subsidiekaderĒ, schreef De Standaard op 30 mei. Minister Marghem talmt al maandenlang met het indienen van de wetteksten voor de nieuwe subsidieregeling voor windparken.

Cruciale investering

Investeren in wind op zee is cruciaal om de energietransitie naar bijna 100% hernieuwbare energie mogelijk en betaalbaar te maken. Door de parken te bouwen leren de ontwikkelaars en financierders bij en kunnen de kosten dalen. Wind op zee staat uit het zicht, neemt geen schaarse ruimte op land in en de steeds grotere turbines halen een maximum aan energie uit de wind. Europa en BelgiŽ zijn een voorloper in deze technologie: hierdoor dingen onze bedrijven vaak mee voor contracten in het buitenland. De bouw van een windpark van 300MW zoals dat van Rentel is al snel goed voor 3.000 directe en indirecte jobs.

Maar wind op zee is momenteel ook de duurste hernieuwbare energiebron die steun ontvangt. De voorziene steun is goed driemaal de huidige elektriciteitsprijs. De subsidie kost ongeveer 90 ŗ 110 euro per MWh (138 euro min de marktprijs voor elektriciteit) en ligt daarmee in de grootte-orde van de gegarandeerde elektriciteitsprijs voor nieuwe kerncentrales zoals Hinkley Point in Groot-BrittanniŽ. Het grote verschil tussen wind- en kernenergie is echter dat de eerste in de loop der jaren goedkoper wordt en de tweede duurder.

Waarom die vertraging?

De teksten voor de subsidieregeling van de nieuwe parken blijven uit omdat de minister, daartoe ook aangepord door Open VLD, op het laatste nippertje de steun voor wind op zee wil verlagen. Nochtans is er vorig jaar al een nieuwe regeling met de sector onderhandeld. In nasleep van de discussies over de energieheffing (de ĎTurteltaksí) stelt minister Marghem nu dat ze een nieuw debacle wil vermijden.

Doorlichtingen van de CREG leren nochtans dat windenergie op zee tot nu toe niet te veel subsidies kreeg. Voor de twee parken die in 2016 hun financiering met de banken moeten afronden - eerst Rentel en dan Norther - is er wel al een klein verschil van enkele procenten tussen de productiekost van elektriciteit met het vooropgestelde rendement en de voorziene vergoeding (subsidies + elektriciteitsprijs). De productiekost valt iets lager uit dan in het verleden door de lagere financieringskosten, dit is door de gedaalde marktrente.

Een andere oplossing

Intussen besliste de regering om de kerncentrales Doel 1 en 2 langer open te houden. Dit veroorzaakt niet alleen te veel elektriciteit, maar ook nog lagere prijzen op de groothandelsmarkten van elektriciteit. Dit heeft ook een impact op de nood aan subsidies: hoe lager de elektriciteitsprijs, hoe meer subsidies nodig zijn om windturbines rendabel te krijgen.

Een daling van de stroomprijs van 10 euro per MWh - zoals bij het heropenen van alle kerncentrales- betekent in het huidige subsidiemechanisme dat er ongeveer 70 miljoen euro meer nodig is per jaar voor alle geplande windparken, of haast 1,5 miljard euro over de hele subsidieperiode. Hetzelfde probleem stelt zich voor andere technologieŽn zoals wind op land of gascentrales. Er is dus ook een andere manier om de subsidiekost te verlagen: overbodige kerncentrales sluiten.

Strijdvlag vs. realiteit

Toch loont het steeds de moeite om nauwkeurig door de cijfers van de windparken te gaan en de marges te onderzoeken. Maar dat moet tijdig en op een voorspelbare wijze gebeuren, zodat de investeringszekerheid voor die cruciale projecten niet in gevaar komt. Nu zet de minister - en bij uitbreiding de federale regering - de investeringszekerheid en het behalen van de klimaatdoelstellingen op het spel. Dat kan niet de bedoeling zijn. Het lijkt er zelfs steeds meer op dat achter de vlag van de strijd tegen oversubsidiŽring belangengroepen schuilgaan die komaf willen maken met (enkele) windparken op zee.

Eerder dan investeerders in onzekerheid te storten, zou de politieke aandacht moeten gaan naar het oordeelkundig verdelen van de subsidiekost. Dat kan door vooreerst maximaal bestaande inkomsten te gebruiken, zoals die uit emissierechten en de nucleaire rente. Daarnaast zou de doorrekening van de overige kosten moeten gebeuren in de fossiele energiebronnen (stookolie en gas) of de algemene middelen, eerder dan in de elektriciteitsfactuur. Een doorrekening per energie-eenheid stimuleert daarbij minder verbruik en geeft de mogelijkheid om de kost af te bouwen.

Ten slotte zou de burger de mogelijkheid moeten krijgen om in het door de overheid vooropgestelde rendement te delen. Dat kan door rechtstreekse participatie toe te laten. Ook zijn heel wat aandeelhouders van windparken gemeenten of andere aan overheden verbonden structuren, waardoor een deel van de opbrengsten idealiter terugstroomt naar dienstverlening voor de burger.

Grijp de kans

Zoín symbiose van industriŽle spelers die internationale referenties zijn dankzij hun trackrecord in de bouw van windparken op zee, en overheden en burgers die delen in het rendement, maakt van wind op zee een kansrijk industrieel project. Maar dan moet de federale regering wel snel voor duidelijkheid zorgen.

reactiesreageer

aanpasdatum3 juni 2016 | Mathias Bienstman

Klimaatbeleid niet langer laten kruipen maar leren lopen

thema’sNaar hernieuwbaar, Klimaat & energie

14/04
2016

De Vlaamse regering en het parlement buigen zich momenteel naar aanleiding van het klimaatakkoord in Parijs over het toekomstige klimaatbeleid.  Anno 2016 breken klimaatoplossingen massaal door. Duurzaam is niet langer duur. Maar onze overheden zullen zich moet reppen als ze klaar willen zijn voor de ontwrichting van de fossiele economie.

Een peuter leren we niet steeds beter kruipen. Nee, op een bepaald moment leert die lopen. En wat later zwemmen of fietsen. Zulke ontwikkelingssprongen zijn goed herkenbaar. Net door het oude in te wisselen voor het nieuwe, gaat er een betoverende wereld open.

Het klimaat- en energiebeleid staat nķ ook voor zo een kwalitatieve sprong. De afgelopen 25 jaar verdween er in BelgiŽ bijna een vijfde van de vervuiling. Gebouwen, voertuigen of de industrie springen nu efficiŽnter om met fossiele brandstoffen. Ze blazen minder CO2 de lucht in. Dat is een goede zaak. Maar het volstaat niet langer.

In Parijs hebben de overheden zich ertoe geŽngageerd om de vervuiling naar nul terug te brengen. Dat is nodig om klimaatchaos te voorkomen en het gevaar van de stijgende zeespiegel in te dijken. Nuluitstoot is niet haalbaar door fossiele brandstoffen steeds efficiŽnter te gebruiken. Dat is zoals een peuter aanleren steeds beter rond te kruipen op handen en knieŽn.  Nee, om het gebruik van steenkool, olie of gas te bannen, is er een sprong nodig. Of met een duur woord: systeeminnovatie.

Gelukkig is die systeeminnovatie in ťťn sector - die van de elektriciteitsproductie - al volop aan de gang. Daardoor kunnen we er ons iets bij voorstellen. De elektriciteitsproductie evolueert van fossiele naar hernieuwbare energiebronnen. Vorig jaar is er wereldwijd meer geÔnvesteerd in die schone bronnen dan in olie, gas of steenkool. Ze zijn immers steeds beter en goedkoper. Duurzaam is niet langer duur.

Maar om zo een hernieuwbaar energiesysteem te laten functioneren, zijn er ingrijpende aanpassingen nodig. Zowat alles moet anders. De elektriciteitsprijs en -vraag zullen het wisselend aanbod uit duizenden hernieuwbare bronnen volgen, de consument wordt producent, logge elektriciteitscentrales zijn passť en de infrastructuur van het elektriciteitsnet gaat op de schop. Alleen al die verandering van het elektriciteitssysteem is een hele boterham en zal verschillende decennia duren.

Maar na de elektriciteitssector, zien we nu de eerste tekenen van de ontwrichting of disruptie van de hťle fossiele economie. Olie wordt het nieuwe roken. Elektrische, autonome en gedeelde mobiliteit zet het mobiliteitssysteem op zín kop. Woningen worden zo energiezuinig dat ze amper nog stookolie of gas verbruiken. Zonneboilers en warmtepompen winnen aan populariteit. Miljoenen uitlaten en schoorstenen zullen uit het straatbeeld verdwijnen.

Momenteel is Vlaanderen een exportkampioen in fossiele brandstoffen en wagens met verbrandingsmotor. Die producten zullen het komende decennium in de verdrukking komen. Ondernemers en beleidsmakers gaan zich moeten reppen om het geweer van schouder te veranderen. De toekomstige welvaart van Vlaanderen hangt ervan af. In de autoindustrie komt de kentering al op gang. Maar voor iedere onderneming die vooruit wil in Vlaanderen, vind je er ťťn die tegenwringt.

De benodigde systeemverandering vorm geven is geen sinecure. We hebben nog geen fractie gezien van de vele uitdagingen en moeilijkheden die zich zullen voordoen als we zo goed als alle energie in gebouwen, transport of industrie zonder broeikasgassen willen voorzien. Nochtans wil niet ťťn vader of moeder dat zín kleintje blijft rondkruipen omdat leren stappen niet zonder blutsen en builen kan. Al doende leert men. Dat is de enige weg vooruit.

Vůůr 2020 moeten politici twee belangrijke stappen zetten. Enerzijds alle steun voor fossiel schrappen: van de verloning met wagens en diesel over de subsidies voor raffinaderijen tot het stookoliefonds. De zoektocht naar sociaal rechtvaardige en economisch zinnige alternatieven ligt open. Anderzijds, de bouwstenen aanbrengen voor een systeem dat de snelle groei van hernieuwbare warmte en elektrisch transport aankan. Het energiesysteem verandert in een grote werf. Het klimaat- en energiebeleid moet voor de oriŽntatie en het draagvlak zorgen. Niet langer het bestaande beter doen, is de uitdaging voor onze beleidsmakers anno 2016. Wťl radicaal inzetten op de uitbouw van een volledig hernieuwbare en circulaire economie.

reactiesreageer

aanpasdatum14 april 2016 | Mathias Bienstman

Europa heeft alles om een cleantech-held te worden. Waar wachten we nog op?

thema’sKlimaat & energie

25/03
2016

Investeren in onderzoek en ontwikkeling is de beste manier voor schone energie om de concurrentie aan te gaan met de fossiele concurrent. Dat is de conclusie van een recent verschenen rapport. Die investeringen zijn inderdaad broodnodig. Op papier heeft de EU al een belangrijk instrument om die groene industriŽle revolutie mee te financieren: het Europese emissiehandelssysteem. Alleen gebeurt dat in de praktijk niet. Hoe komt dat, en hoe kan Europa zich wel ontpoppen tot cleantechpionier?

In een recent verschenen rapport Transition to Clean Technology in het Journal of Political Economy, komen economen tot de conclusie dat onderzoek en ontwikkeling de beste remedie is tegen klimaatverandering. Uit het economisch model blijkt dat financiŽle steun het meest efficiŽnt is om de transitie van fossiele brandstoffen naar schone energie te versnellen.

Ondanks het feit dat hernieuwbare energie op verschillende energiemarkten goedkoper is dan haar vervuilende concurrent, kan de transitie een flinke duw in de rug gebruiken. De redenering die de onderzoekers maken is ook van toepassing op de transitie naar een koolstofarme industrie. Veel duurzame productiemethoden zitten verstopt in een nichemarkt en wachten ongeduldig op schaalvergroting.

Om de ontwikkeling van cleantech op kruissnelheid te brengen, zijn flinke investeringen nodig. Volgens de onderzoekers zijn overheidssubsidies de oplossing. In budgettair krappe tijdens is dat echter geen populair verhaal. Het Europees emissiehandelssysteem kan al een flinke duit in het zakje doen.

Voor elke ton CO2 die een bedrijf uitstoot, moet het onder het emissiehandelssysteem een recht aankopen. Die mogelijke extra kost stimuleert een bedrijf om te kiezen voor een duurzaam alternatief. Door efficiŽntieverbeteringen of het toepassen van een koolstofarme productiemethode, stoot het bedrijf minder uit en hoeft het dus geen rechten aan te kopen. Daarnaast bespaart de onderneming zo ook op haar energiefactuur.

Er zit nog een andere bron van inkomsten in het emissiehandelssysteem. Het is de overheid die de emissierechten veilt aan bedrijven. Die inkomsten kan de overheid dus voor een groot deel inzetten om de nodige innovatie te stimuleren.

Allemaal mooi op papier, maar de realiteit is helaas anders. Door een enorm overschot in de Europese emissiehandelsmarkt is de prijs van een emissierecht gezakt tot onder de 5 euro. Er is dus geen enkel incentive voor de industrie om alternatieve, meer duurzame productiemethoden te overwegen.

Daarnaast zien overheden zich de mogelijke inkomsten voor effectief klimaatbeleid door de neus geboord. Om de Europese industrie te beschermen tegen een zogezegd  concurrentieel nadeel uit het buitenband krijgen de ondernemingen hun rechten gratis. Uit een recent rapport van Carbon Market Watch blijkt dat ze die gratis rechten in de praktijk niet nodig hebben, omdat hun productie flink is afgenomen. De industrie heeft de rechten die ze cadeau kreeg op de markt kunnen verkopen, de onbetaalde kost ervan doorgerekend aan de eindklant en goedkopere internationale rechten gebruikt om hun uitstoot te dekken. In totaal heeft de Belgische industrie 1,5 miljard verdient op kap van het klimaat.

Helemaal afvoeren dan maar, dat Europese emissiehandelssysteem? Neen: in theorie kan het prima werken. Als bedrijven zouden moeten betalen voor hun rechten, hadden ze de incentive om efficiŽnter te werken en had de overheid de extra inkomsten om in te zetten op de noodzakelijke cleantech-ontwikkeling.

Het systeem moet dus hervormd worden, zodat het ook in de praktijk deze incentive levert. Maar daarbij staat (vooral) Oost-Europa op de rem. Om zijn steenkooleconomie te beschermen roept Polen samen met de andere Visegrad-landen Hongarije, TsjechiŽ en Slowakije een Ďcoalition of the unwillingí in het leven. De groep gaat bij elke poging tot correctie van het systeem op de rem staan.

Nochtans zou een werkend emissiehandelssysteem de Europese industrie een Ďfirst mover advantageí kunnen geven door volop over te schakelen op schone energie en cleantech. Europa zou een heuse groene industriŽle revolutie kunnen ontsteken. Alle wereldeconomieŽn zullen op een gegeven moment voor dezelfde uitdaging komen te staan: de uitstoot van CO2 in alle sectoren drastisch terugdringen. Als Europa nu de koe bij de horens vat, kan het in de nabije toekomst wereldwijd uitpakken met zijn cleantech.

reacties1 reactie

aanpasdatum25 maart 2016 | Jonathan Lambregs

Na de groei, eindelijk volwassen?

thema’sEconomie

17/03
2016

In het kader van de begrotingsbesprekingen komen er enkele ongemakkelijke waarheden over de economische groei aan de oppervlakte. Politici blijken er niet alleen weinig vat op te hebben. Het lijkt er ook op dat de groei per hoofd van de bevolking structureel in een dalende trend zit. Wat betekenen beide vaststellingen voor de milieubeweging, die al lang een debat over de wenselijkheid van economische groei voert?

BelgiŽ bepaalt zijn groei niet

BelgiŽ heeft een kleine, open economie. Keer op keer blijkt dat onze economische groei grotendeels bepaald wordt door evoluties in het buitenland, in de eerste plaats bij onze grootste handelspartner Duitsland. Telkens als de groeicijfers niet uitpakken zoals verhoopt, halen politici en commentatoren er andere oorzaken bij. De situatie in Duitsland of in China. De verandering in grondstoffenprijzen of wisselkoersen. De consument die onverwacht de vinger op de knip houdt of het beleid dat niet doortastend genoeg is. Enzovoort. Als groeiprestaties zo onvoorspelbaar zijn en politici er zo weinig invloed op hebben, waarom verbinden we er dan belangrijke maatschappelijke doelstellingen aan?

Herinnert u zich de slogan van werkgeversorganisatie VOKA voor de federale verkiezingen? ĎGroei is onze enige sociale zekerheidí, luidde die. De economie zou minimum 2% moeten groeien per jaar, vonden de werkgevers. Nu centrumrechts aan de macht is, zijn de groeivooruitzichten voor BelgiŽ een stuk lager: voor 2016 zal het eerder 1 dan 2% zijn. Ook de jaren daarop blijft de groei Ďzwakí. Is het nu over en uit met de sociale zekerheid? Hopelijk niet.

Groene meningen over groei

ĎDe groei in Duitsland is onze enige sociale zekerheidí staat als slogan dus even dicht bij de waarheid als die van VOKA. Dat maakt meteen duidelijk wat eraan schort. Door de focus te richten op iets waar beleidsmakers nauwelijks vat op hebben, verdwijnen effectieve acties om de sociale zekerheid te versterken buiten beeld. Ook de milieubeweging voert het groeidebat doorgaans op die manier, al zijn er wel uiteenlopende visies. Een deel van de milieubeweging tracht beleidsmakers ervan te overtuigen dat milieuactie en economische groei niet tegengesteld zijn, maar elkaar net kunnen versterken. Een ander deel van de ecologische beweging wil minder economische groei omdat ze gelooft dat het slecht is voor mens en milieu.

Beide benaderingen vertrekken net zoals VOKA vanuit de veronderstelling dat beleidsmakers vat hebben op de economische groei. Maar steeds opnieuw blijkt dat slechts heel beperkt het geval te zijn. Waarom dan die complexe omweg nemen? Wie de sociale zekerheid, gezonde ondernemingen of de bescherming van het milieu belangrijk vindt, kan politici toch aansporen zich meteen daar op te richten? Want die hebben voldoende instrumenten in handen om die sociale, economische of ecologische doelstellingen rechtstreeks te verwezenlijken.

Het bnp, dat dwaallicht

De klimaatproblematiek kan die benadering perfect illustreren. Op een eindige planeet kan de materiŽle consumptie niet eeuwig groeien, dat is een feit. Maar sommige ecologisten hebben daar een te eenvoudige conclusie aan verbonden: Ďom de planeet te beschermen moet de economie krimpení. Degrowth is voor hen de weg vooruit. De vaststelling dat het beleid nauwelijks vat heeft op de groei, doet al twijfels rijzen bij die strategie. En wie de klimaatdoelstellingen met die benadering wil waarmaken, geraakt helemaal van de wijs. Voor een stabiel klimaat moeten de broeikasgasemissies zo snel mogelijk en liefst voor 2050 naar nul. Dat betekent dat ze de komende decennia in BelgiŽ jaarlijks met 7 ŗ 8% tegenover het voorgaande jaar moeten krimpen. Ook ons grondstoffenverbruik moet aanzienlijk afnemen om de milieudruk te verminderen.

Maar jaarlijks 7 ŗ 8% minder broeikasgasemissies bereiken door aan hetzelfde tempo economisch te krimpen om uiteindelijk uit te komen op nul, dat is toch geen geloofwaardig voorstel? Dat zou een sociale ravage aanrichten. Bovendien is het helemaal naast de kwestie. Want waarom moet het aantal bezoeken aan de sportclub afnemen om het klimaat te redden?

Wat nodig is om de klimaatdoelstellingen te bereiken is erg duidelijk en binnen het  bereik van beleidsmakers: energiebesparing, een snelle uitbouw van hernieuwbare energie samen met reducties van emissies in de landbouw. De meeste analyses in economische modellen komen erop uit dat een dergelijk programma geen of een licht negatief effect heeft op de potentiŽle economische groei.

Op dit niveau hoeft de milieubeweging zich niet in het netelige groeidebat te mengen, ook niet om de overtrokken claim te maken dat klimaatactie de economische groei zal aanzwengelen. Ze kan zich aansluiten bij de opstelling die de Nederlandse econoom Jeroen van den Bergh bepleit: onverschillig zijn tegenover bnp-groei, de agrowth-strategie. Wat telt is echte welvaartscreatie en het behoud van vele vormen van waarde zoals het natuurlijk Ďkapitaalí of de culturele Ďrijkdomí. Een goed economisch beleid gaat veel breder dan het nastreven van groei in het nationaal product. Tegelijk blijven heel wat van de Ďoudeí aanbevelingen voor BNP-groei, zoals investeren in onderwijs en opleiding, ook bij deze benadering overeind.

Klaar voor minder groei?

Politici moeten zich niet alleen richten op zaken waarop ze vat hebben, zoals welvaartscreatie en het behoud van vele vormen van waarde. Ze zullen de maatschappij waarschijnlijk ook moeten inrichten op een lange periode van lagere bnp-groei per capita. Steeds meer economen gaan ervan uit dat de hoge groei in de  geÔndustrialiseerde landen tot het verleden behoort, onder meer omdat er minder zicht is op productiviteitsverbeteringen.

Dat is op korte termijn erg lastig. Heel wat maatschappelijke noden zoals de afbetaling van de overheidsschuld of de financiering van de sociale zekerheid lopen gemakkelijker bij een hogere economisch groei. Economische groei smeerde het naoorlogs sociaal compromis. Nu die groei uitblijft, komen die tegenstellingen weer op scherp, zoals het begrotingsdebat illustreert.

De vraag is of we nog veel hebben aan de 20ste-eeuwse benaderingen voor het economisch en monetair beleid, het keynesianisme en monetarisme. Want als de groeivertraging structureel is, bieden die klassieke recepten geen uitweg uit de sociale problematiek veroorzaakt door lage groei. De pogingen van de overheden om met overheidsinvesteringen of bezuinigingen de groei opnieuw aan te zwengelen tot op het oude niveau, zijn nu al tevergeefs. Investeringen of besparingen kunnen in bepaalde situaties nog nuttig zijn, maar niet om gedateerde groeidoelstellingen te halen.

Zodus: de tijd is rijp voor nieuwe ideeŽn om het maatschappelijk bestel in te richten op lagere bnp-groei, zoals andere vormen om tijd te herverdelen of inzet te mobiliseren. Weinig groei op macroniveau is daarbij niet gelijk aan stagnatie op microniveau. Ondernemingen actief in groene technologie, hernieuwbare energie of het sluiten van kringlopen zullen de komende decennia bijvoorbeeld nog pijlsnel groeien. Dat creŽert voor een deel van de ecologische beweging een merkwaardige situatie. De filosofie die ze gedateerd vindt - die van de snelle, exponentiŽle groei - zal een van zijn laatste pleisterplaatsen vinden in de sectoren die ze een warm hart toedraagt.

reacties1 reactie

aanpasdatum17 maart 2016 | Mathias Bienstman

Voor lekkere, duurzame ťn betaalbare voeding, klik hier

thema’sLandbouw, Milieubewust aankopen

25/02
2016

Boeren blijven kopje onder gaan. De prijzen voor dierlijke producten duiken de diepte in. Tegelijk wil de consument steeds meer een authentiek, smaakvol en duurzaam product. Maar het mag ook niet te veel kosten. Onverzoenbaar? Neen, integendeel: een mooie kans voor de voedingsproductie in Vlaanderen. Als we op tijd de slimme keuzes maken.

De productie van dierlijke producten zoals vlees, melk en eieren staat onder druk. Er is een acute crisis door een overaanbod. Maar structureel bevindt de dierlijke productie in Vlaanderen zich op het snijpunt van twee tegengestelde krachten: steeds goedkopere, buitenlandse concurrenten en een kritische, veeleisende consument die er minder van lust.

De doorsnee landbouwer voelt zich het slachtoffer van die twee evoluties. Hij ziet hoe die zijn winstmarges aan beide kanten onder druk zetten.  Aan de ene zijde verlaagt de marktprijs door de internationale concurrentie.  2.000 zeugen is de standaardmaat voor nieuwe varkensstallen. Waaghalzen stampen megastallen met tienduizenden koeien uit de grond. Handelsverdragen vergroten de markttoegang voor hyperproductieve concurrenten.

Aan de andere zijde vraagt de consument meer dierenwelzijn, minder antibioticagebruik en een lagere, schadelijke uitstoot van runderen en varkens. Die toenemende vereisten voor milieu, natuur en gezondheid maken dat de productieprijs stijgt. De (melk)veehouderij overleeft nu al bij gratie van Europese subsidies. Maar de meeste landbouwers worstelen met de vraag hoe de rekening nog te doen kloppen bij stijgende productieprijzen en dalende verkoopprijzen.

Welke toekomst voor de landbouw?

Wat betekent dit voor de toekomst van de landbouw, en dan vooral voor de dierlijke productie? De dalende marktprijs eist continue productiviteitsverbeteringen en schaalvergroting. Dieren moeten uit minder voeder meer vlees, melk of eieren maken. Tegelijk wil de consument net het tegendeel. Hij vraagt om een authentiek, smaakvol en duurzaam product. Liefst van grondgebonden, familiale landbouw met respect voor de dieren. Maar intussen is de consument wťl gewend geraakt aan de lage prijzen.

Aan beide zijden van het spectrum zijn er landbouwbedrijven die nog het hoofd boven water houden door voor te lopen. Zij tonen de twee kanten die onze landbouw schijnbaar uit kan: er zijn de kapitaalintensieve, industriŽle complexen die erin slagen om de prijs van dierlijke producten verder te drukken. Een sterk ontwikkeld agro-industrieel bestel stuwt hen voort. Voor elke schakel is er staatssteun: het onderzoek, de investeringen, de productie, de vermarkting en zelfs de promotie.

Aan de andere zijde bevinden zich de boeren die afknappen op de ratrace naar meer en groter. Zij zetten in op bio, korte keten of stadslandbouw. Daarvoor vinden ze een kleine maar groeiende groep enthousiaste consumenten.

Van voorlopers naar trend?

Als het voor hťn wel lukt, waarom dan niet voor iedereen? Er zijn goede redenen om er aan te twijfelen dat de toekomt van de landbouw ligt in het veralgemenen van ťťn van die tegengestelde praktijkvoorbeelden. Verdere intensivering en schaalvergroting botst op Ďnatuurlijkeí grenzen in Vlaanderen. Onze regio ligt dan wel dicht bij havens of universiteiten, waardoor de aanvoer van veevoer of kennis beter loopt, toch is het moeilijk voorstelbaar dat zoiets blijvend het verschil zal maken in de internationale concurrentie tussen mega-landbouwbedrijven. De schaarse open ruimte en de hoge grondprijzen, de slechte staat van het leefmilieu en de hoge arbeidskosten werken allen in het nadeel van Vlaanderen als veestal van de wereld.

Dan maar inzetten op de duurzame, grondgebonden en extensieve landbouw? Dat is ongetwijfeld een must en biedt nog mogelijkheden. Maar in de supermarkt is nog steeds meer concurrentie op prijs dan op kwaliteit of duurzaamheid. De weerstand van landbouwers om dŠt deel van de markt dat op prijs concurreert in zijn geheel los te laten, is te begrijpen. Voorlopig - en waarschijnlijk nog voor lange tijd - zal de vraag naar kwalitatieve en duurzame dierlijke producten te beperkt zijn om er de hele sector op af te stemmen.

Hier is de uitweg

Is er een andere piste, een uitweg? De innovaties in de voedingssector zetten aan het denken. Nu al levert die sector viermaal meer toegevoegde waarde en meer tewerkstelling dan de land- en tuinbouw. Vlaanderen excelleert op heel eigen niches zoals chocolade, diepvriesgroenten of (speciaal)bieren. Waarom niet volop inzetten op een nieuwe groeipool: alternatieven voor dierlijke producten?

In het midden van deze eeuw moeten de broeikasgasemissies ongeveer naar nul. Dat betekent onvermijdelijk een daling van de veestapel. Er ontstaat een snel groeiende markt voor alternatieven voor vlees- en zuivelproducten. Zo maakt Alpro in BelgiŽ al meer dan 700 plantaardige voedingsproducten en creŽerde de onderneming honderden jobs. De bedrijfsresultaten zijn uitstekend.

ĎMeat Makersí

De vraag om Ďvleesí te produceren zonder broeikasgasemissies, waterverbruik, lokale vervuiling en dierenleed leidt tot nieuw onderzoek naar kweek- of labovlees. Het tijdschrift The Economist voert in een recente documentaire ĎMeat Makersí voorbeelden op uit Nederland en de VS. Onderzoekers werken er aan kweekvlees op basis van plantaardige eiwitten of stamcellen. Zodra die innovaties marktrijp zijn, zullen ze in voedingsfabrieken geproduceerd worden. Zulke voedingsfabrieken staan even dicht of ver van de Ďtraditionele landbouwí als de veefabrieken met arbeiders in loondienst.

Als de dierlijke productie in Vlaanderen tot zo veel moeilijkheden leidt, waarom legt de sector zich dan niet toe op het alternatief met groeipotentieel? In tegenstelling tot ruimte hebben we wel heel wat innovatievermogen, in tegenstelling tot goedkope arbeid wel toegang tot kapitaal. De campagne Dagen Zonder Vlees toont aan dat er ook een groeiende markt is voor diervrije voeding. Dit past gewoon beter bij Vlaanderen dan de grootschalige veehouderij.
 
Smaakvolle, duurzame ťn betaalbare voeding

Als onze regio voor dat pad kiest, zou de landbouw- en voedingssector in twee richtingen evolueren. De niche van de duurzame landbouw bouwt zich verder uit op het tempo van de groeiende vraag naar kwalitatieve en authentieke producten. Maar in de traditionele dierlijke productie doen we de volgende logische stap in de intensivering. Niet de schaal vergroten of de productiviteit van de dieren nog een paar percent opdrijven. Wťl door innovaties de dieren uit de keten bevrijden, zodat de sector erin slaagt van plantaardige eiwitten rechtstreeks smaakvolle, duurzame en betaalbare voeding te maken.

> Bekijk de film ĎMeat Makersí van The Economist

> Lees meer over het debat over de toekomst van de dierlijke productie naar aanleiding van Dagen Zonder Vlees

reactiesreageer

aanpasdatum25 februari 2016 | Mathias Bienstman

De stal van de Vlaamse landbouw moet uitgemest. Hoe we dat doen, maakt al het verschil

thema’sLandbouw

21/01
2016

Delen van de Vlaamse landbouwsector zitten in crisis. De kosten worden niet gedekt. Dit, samen met de toenemende vergrijzing en druk op open ruimte brengt het voortbestaan van een familiale landbouw op Vlaamse schaal in het gevaar. De keuzes die we nu maken, bepalen de toekomst van de landbouw in Vlaanderen.

1 op 4 varkensboeren is failliet

Geen grenzen aan de groei, dat kregen boeren van alle banken en erfbetreders zoals adviseurs en kopers tot voor kort te horen. Kortetermijnwinsten wonnen het van de veerkracht van de sector. Dat breekt hun nu zuur op. Eind 2015 bleek ťťn op de vier varkensboeren virtueel failliet. De machtsconcentratie in de keten is groot en de boer trekt aan het kortste eind. Landbouwminister Schauvliege lijkt dit te erkennen en kondigt in een recent interview alvast aan om de landbouwsector weerbaar te maken tegen commerciŽle belangen.

Warm of koud saneren?

Vanuit een deel van de sector en van politieke partijen in Vlaanderen, maar ook in Nederland klinkt daarom de vraag om een warme sanering van de varkenssector, liefst op Europese schaal. Dit gebeurde eerder in Vlaanderen in begin jaren 2000 onder impuls van toenmalig minister Vera Dua.

Naast het sociaal drama dat zich op veel plaatsen voltrekt heeft een koude sanering, zoals die zich nu aankondigt, zijn gevolgen. In Vlaanderen zullen we sowieso naar een kleinere veestapel moeten gaan, maar de huidige crisis maakt dat veel bedrijven die investeerden in efficiŽnte en milieusparende maatregelen, er het eerst dreigen tussenuit te vallen. Een varkens- of melkveehouderij die niets deed, kan nu als winnaar uit de bus komen.

Ondertussen in Europa

Vanuit Europa vallen er met Phil Hogan als Europees Commissaris voor Landbouw voorlopig niet veel structurele ingrepen te verwachten. De regels van de wereldmarkt bepalen nu het spel. De afgelopen weken verschenen er rapporten over de impact van het vrijhandelsakkoord TTIP op de Europese landbouw. Het voorspelde resultaat voor de Europese boer: een nog lagere prijs voor zijn product.

Wie wint wel? De landbouw van de VS, die een competitief voordeel zal hebben als het over granen, melk en vlees gaat. Dat tonen ook Amerikaanse studies aan. De verklaring daarvoor is te vinden in schaalvoordelen, maar ook in lagere productie- en consumptiestandaarden. Zo zijn de wettelijk toegelaten pesticidenresiduís 5000% hoger in de VS dan in de EU.

Wat we nodig hebben: een niche

Toch zien sommigen in TTIP ook kansen voor de Europese landbouw, met name voor Europese kwaliteitsproducten. Verwerkte producten met een specifieke identiteit kunnen op de Amerikaanse afzetmarkt een plaats vinden. In Vlaanderen gaan steeds meer stemmen op om van Vlaamse landbouw- en voedingsproducten een nicheproduct op de wereldmarkt te maken. Op 20 januari vond alvast een hoorzetting plaats in het Vlaams Parlement rond dit thema en de schaalvergroting in de landbouwsector.

Hoe deze transformatie eruit moet zien is nog onduidelijk, maar vast staat dat het duurzame producten zullen zijn, die nog meer dan vandaag de ecologische, economische en sociale kwaliteit moeten waarborgen. Hiervoor zal de Vlaamse landbouw, maar ook het Vlaamse consumptie- en voedingspatroon soms drastisch moeten veranderen. Een omschakeling naar aan gevarieerd, seizoensgebonden en plantaardig dieet dringt zich op. Want zowel productie en consumptie in Vlaanderen overtreden de grenzen van het te rechtvaardigen effect op mens en milieu, hier en doorheen de globale voedselketen.

reactiesreageer

aanpasdatum21 januari 2016 | Pepijn De Snijder

De luchtkastelen van Gwendolyn Rutten

thema’sKlimaat & energie

7/01
2016

Op maandagavond 4 januari verdedigde Open VLD-voorzitter Gwendolyn Rutten in Terzake het federale energiebeleid, en dan vooral de beslissing om de oudste kerncentrales open te houden. Ze beweerde dat ons land als een van de weinige in Europa erin slaagt tegelijk de kernuitstap te verwezenlijken en de klimaatdoelstellingen te halen. Wie de cijfers erbij neemt, ziet in een oogopslag dat Rutten met veel goesting luchtkastelen bouwt.

Het slechtste van twee werelden

In de ogen van Jan Modaal staat het Franse energiemodel voor kernenergie en lage elektriciteitsprijzen. Het Duitse model van de Energiewende daarentegen betekent kernuitstap en hogere prijzen. Die dienen om de investeringen in de snelle groei van hernieuwbare energie te ondersteunen. Ze blijken voor de Duitse economie positief uit te draaien. BelgiŽ combineert op onnavolgbare wijze de nadelen van beide modellen. Na Duitsland hebben we de hoogste elektriciteitsprijzen voor de gezinnen van alle buurlanden [1], maar we bouwen het verouderde nucleaire park en bijhorend risico niet af. Nochtans moeten de kerncentrales ooit vervangen worden.

Volgens Rutten doen wij het echter beter dan de meeste Europese landen doordat we een (uitgestelde) kernuitstap combineren met het halen van klimaatdoelstellingen. De cijfers vertellen een ander verhaal. Tussen het basisjaar 1990 en 2014 daalden de broeikasgasemissies in Duitsland met 27%, in BelgiŽ met 21,5% en in Frankrijk met 17%. In die periode sloot Duitsland negen van zijn zeventien kerncentrales. De Belgische en Franse draaien (opnieuw) allemaal.

Duitsland wint dubbel

De meest recente prognoses van de broeikasgasemissies voor de komende twee decennia tonen dezelfde trend nog duidelijker. Met het huidige beleid voorziet BelgiŽ dat de broeikasgasemissies gaan stijgen, Frankrijk dat ze nauwelijks gaan dalen en Duitsland dat ze sterk naar beneden gaan.[2] Zowel BelgiŽ als Frankrijk voorzien dat de uitstoot van de energieproductie de komende decennia stijgt, terwijl ze in Duitsland fors gaan dalen. Conclusie: het Duitse hernieuwbare model is superieur aan het Franse nucleaire model. Ruttens betoog in Terzake toont opvallende gelijkenissen met de mythes die het Nucleair Forum verspreidt over de Duitse Energiewende. Recent heeft BBL samen met andere milieuorganisaties die mythes ťťn voor ťťn ontkracht.[3]

Kernenergie matcht niet met transitie

De beslissing om de oudste kerncentrales open te houden remt de overstap naar betaalbare hernieuwbare energie af.  Daarvoor zijn er een aantal redenen. Kerncentrales produceren dag en nacht stroom en zijn moeilijk te verzoenen met flexibele energievormen zoals wind en zon. Ze bemoeilijken de investeringen in en uitbouw van een decentraal energiesysteem met vraagsturing en opslag. Komt daar nog bij dat we Doel 1 en 2 niet nodig hebben om het licht te laten branden, integendeel. We zullen windturbines moeten stilleggen omdat er te veel (kern)energie is.

Electrabel zwaait de scepter

Bovendien kun je je afvragen wie hier eigenlijk het energiebeleid bepaalt. De dominantie van Electrabel en de grootverbruikers resulteert in een transitie die de lusten en lasten onevenwichtig verdeelt en de zuurstof wegneemt voor nieuwe, innovatieve energiebedrijven en diensten. Een treffend voorbeeld hiervan: minister Marghems meest recente voorstel om een steunmechanisme voor bestaande gascentrales in te voeren. De gascentrales zitten ingekneld tussen de groei van hernieuwbare energie en het teveel aan kerncentrales, waardoor ze het de laatste jaren steeds moeilijker hebben om het hoofd boven water te houden. Door de kerncentrales langer open te houden, geeft de minister de doodsteek aan de gascentrales. Ze zullen hierdoor in de toekomst nog minder kunnen draaien. Hoe wil Marghem dit oplossen? Door de gascentrales te subsidiŽren om operationeel te blijven. Naar wie zal het geld hoogstwaarschijnlijk gaan? Naar gascentrales van Electrabel, EDF, BASF en Tessenderlo. Een tweede cadeau dus voor de nucleaire spelers en enkele grootverbruikers. En een tweede klap voor al de overigen, die het steunmechanisme moeten financieren.

De energietransitie zal de komende jaren moeten opboksen tegen de slechte marktomstandigheden die de federale regering creŽerde door het langer openhouden van overbodige kerncentrales. Het is opmerkelijk dat liberale excellenties fier zijn op zo een transitie waarin elk vrij initiatief nauwelijks kans maakt zonder overheidssteun. In het beste geval krijgt de energietransitie de komende jaren nog enigszins vorm door creatief knip- en plakwerk vanuit de overheid, gefinancierd met allerhande steunmaatregelen die de lage prijzen op de groothandelsmarkt compenseren. In het slechtste geval leidt die afhankelijkheid van steunmaatregelen tot jarenlang gekibbel en juridische onzekerheid rond staatssteun, die het investeringsklimaat compleet ondermijnt.

[1] http://www.creg.info/Tarifs/energiecomponent.pdf p.25
[2] http://www.eea.europa.eu/publications/trends-and-projections-in-europe-2015 p.84
[3] http://www.bondbeterleefmilieu.be/uploads/files/9%20mythes%20over%20Duitse%20Energiewende%20weerlegd.pdf

reacties3 reacties

aanpasdatum7 januari 2016 | Mathias Bienstman

Na het klimaatakkoord: tijd voor een p(a)rijsshift

thema’sKlimaat & energie

16/12
2015

Het is in het Vlaanderen van vandaag voordeliger om met de dieselwagen naar het werk te gaan, op stookolie te verwarmen of een biefstuk te eten dan om voor klimaatvriendelijke alternatieven te kiezen. Als de taxshift een antwoord was op onze hoge loonkosten, dan hebben we nu een antwoord nodig op onze lage vervuilkosten. Een Ďprijsshiftí, die schone oplossingen voordeliger maakt dan de vervuilende standaardopties, kan de klimaatdoelen dichterbij brengen.

Meer dan de helft van de broeikasgasemissies stoten we uit bij activiteiten van elke dag zoals ons verplaatsen, het verwarmen van onze woning en eten. In Vlaanderen is daarbij telkens de milieuschadelijkste optie het voordeligst, ook omdat de overheid de verkeerde stimuli geeft. Een twintiger die in dienst treedt bij een bedrijf, krijgt een bedrijfswagen met een kaart om (bijna) gratis diesel te tanken. Wie op stookolie verwarmt, doet momenteel gouden zaken. En in de supermarkt kost een steak minder dan een bioburger, is koemelk goedkoper dan sojadrank.

Geen wonder dat de broeikasgassen amper afnemen
Geen wonder dat de vervuiling door broeikasgassen in die sectoren nauwelijks afneemt, ondanks het klimaatplan van de Vlaamse regering. De uitstoot van broeikasgassen was in 2013 exact 1% lager dan in 2005. Maar over 5 jaar moet ze wel al met 15,7% gedaald zijn, over 15 jaar met minstens 30%. En dat enkel om de klimaatdoelen te halen waarvan in Parijs is vastgesteld dat ze tekortschieten. Om het doel van het klimaatakkoord in Parijs te halen, de opwarming beperken tot 1,5 graden, zou de vervuiling nog eens dubbel zo snel moeten afnemen.

Dat kan enkel als de meerderheid van de Vlamingen voor duurzame oplossingen kiest. Wat pas zal gebeuren als die oplossingen aantrekkelijk, overal beschikbaar en vooral betaalbaar zijn. Een prijsshift kan de schone oplossingen goedkoper maken en de vervuilende standaardopties duurder.

Om die juiste opties goedkoper te maken, moeten we vooral rekenen op onderzoek, innovatie en marktcreatie. Denk aan de vele wetenschappers die onderzoek doen naar nieuwe batterijen, plantaardig vlees of schone verwarmingstechnieken. Of aan de ondernemers die door schaalvergroting de kosten drukken. Met de regelmaat van de klok kondigen zich doorbraken aan. Zo zal de Gigafactory van Elon Musk volgend jaar de kosten van batterijen voor energieopslag of voertuigen in een klap met  30% reduceren.

Geen 10 miljard meer voor de Poetins en Al-Saoeds
Maar de extreem lage olieprijs is een stevige waarschuwing. Vervuilen wordt nog sneller goedkoper dan de schone alternatieven. Burgerbewegingen en de overheid kunnen die evolutie keren. Nieuwe exploratie en ontginning van fossiele brandstoffen moeten we afremmen, ook met een desinvesteringscampagne die spaargeld weghaalt van de fossiele industrie. Net zo zijn grootschalige investeringen in de infrastructuur van het verleden financieel dubieus. De nieuwe oliekraker van Exxon in de Antwerpse haven is een miljardeninvestering die nu al achterhaald is. 

Bedrijfswagens en vlees zijn kunstmatig goedkoop door overheidssteun. Onze overheden moeten die (fiscale) stimuli heroriŽnteren. Met een stevige koolstoftaks ten slotte moeten ze de unieke opportuniteit om de economie te versterken, aangrijpen. Want enkel door olie en gas wat duurder te maken, hebben de schone oplossingen een kans. Het geld van de koolstoftaks kunnen we gebruiken om andere belastingen te verlagen. Zo blijft de meer dan 10 miljard euro die we nu jaarlijks aan de Poetins en Al-Saoeds van deze wereld geven voor de levering van olie en gas, in onze economie. 

reactiesreageer

aanpasdatum16 december 2015 | Mathias Bienstman

Hoe de Antwerpse petrochemie het Belgisch klimaat- en energiebeleid dirigeert

thema’sKlimaat & energie

2/12
2015

Met de verlenging van Doel 1 en 2 drukt de Antwerpse petrochemie definitief haar stempel op het Belgische energiebeleid. De grootste verbruikers in ons land zijn erin geslaagd om alleen voor zichzelf de allerlaagste energie- en elektriciteitsprijzen te verkrijgen. Alle nadelen, kosten en risico's van hun strategie komen terecht bij de burgers, kmo's en groene ondernemers.

Het was een vraag die ons de afgelopen weken hoofdbrekens bezorgde. Waarom overweegt de federale regering in hemelsnaam om kerncentrales open te houden die niet eens nodig zijn om het licht te doen branden? Dat zorgt toch enkel voor problemen, dachten we. Kerncentrales produceren nucleair afval en zijn een rode lap voor (loslopende) terroristen. De laatste jaren bleken ze ook allesbehalve betrouwbaar. Bovendien krijgen alle ondernemingen en coŲperatieven die de energiemarkt willen vernieuwen, geen kans door de dominantie van de afgeschreven kerncentrales.

Wie de blik richt op de industrie in de Antwerpse haven, kan de keuze al beter begrijpen. In die haven is er een groep grote ondernemingen actief die heel wat energie en elektriciteit verbruiken. Ze zijn er als de dood voor dat de prijs ervan omhoog gaat. Die bedrijven geven aan bevriende partijen ťťn richtlijn. Zorg ervoor dat er energiezekerheid is voor ondernemingen aan de laagste kost. De ondernemingen hebben het recht om daarvoor te ijveren. Het is immers aan politici om verschillende belangen in evenwicht te brengen.

Maar met de N-VA aan het stuur, gebeurt dat steeds minder. Zowel in de Vlaamse als de federale regering ijvert de partij met volle kracht voor de belangen van de Antwerpse petrochemie. De N-VA sloot een verbond met de MR om alle kerncentrales langer open te houden want dat levert bodemprijzen op voor de grootverbruikers, zeker als het aanbod van kernenergie ruim genoeg is. Die grootverbruikers onderhandelen hun contracten rechtstreeks met Electrabel of kopen op de groothandelsmarkt. Behalve Electrabel heeft dus ook de petrochemie er (op korte termijn) belang bij dat alle kerncentrales openblijven.

De gezinnen en kmo's ondervinden de nadelen. De nucleaire rente, dat zijn de inkomsten van de staat, gaat naar beneden. Het geld is immers nodig om de oude kerncentrales op te lappen. De overheid en belastingbetalers dragen ook nog steeds de nucleaire risico's, die door Electrabel niet volledig gedekt zijn met verzekeringen.

Dat patroon van ongelijke lusten en lasten is intussen een constante in het energiebeleid van de Vlaamse en federale regering. Waarom krijgt ieder Vlaams gezin een factuur van 100 euro per jaar om de groene stroom te bekostigen? Omdat diezelfde grootverbruikers niet eerlijk mee betalen. De onrechtvaardigheid van de regeling van de Vlaamse regering is zelfs dermate dat Unizo en Boerenbond het werkgeversfront voor het eerst in lange tijd braken. In een advies van de Minaraad geven ze - zij aan zij met vakbonden en milieubeweging - stevige kritiek op de overdreven voordelen voor de multinationals.

Waarom zit het klimaatakkoord al jarenlang geblokkeerd? Omdat diezelfde grootverbruikers in Vlaanderen niet willen meebetalen aan de uitbouw van hernieuwbare energie, maar wel alle inkomsten uit emissierechten willen opstrijken. Via de vergoeding voor 'indirecte emissiekosten' zijn ze er al in geslaagd om het grootste deel van de pot geld die op tafel ligt bij de onderhandelingen, binnen te halen. Die positie van de energie-intensieve industrie zorgt er mee voor dat de Vlaamse regering zich zo stroef opstelt in de onderhandelingen.

We hebben nu een klimaat- en energiebeleid dat gedirigeerd wordt door de Antwerpse petrochemie. De energiefactuur die in uw bus valt, vertelt in ťťn oogopslag wie ervoor betaalt en wie ervan geniet.

reactiesreageer

aanpasdatum2 december 2015 | Mathias Bienstman

De fabriek van de terroristen draait op olie

thema’sKlimaat & energie

18/11
2015

President Hollande noemde in zijn toespraak voor de verzamelde parlementen IS "een fabriek voor terroristen". Wie zich afvraagt op welke brandstof die fabriek draait, hoeft niet ver te zoeken: olie. Het zwarte goud is de belangrijkste inkomstenbron van IS. Het zal de afkeer van olie en andere fossiele brandstoffen bij de publieke opinie enkel voeden. Onze regeringen kunnen het perspectief bieden op een uitweg. Ze moeten het uitfaseren van fossiele brandstoffen opnemen in het klimaatakkoord van Parijs.

Daags na de wrede aanslagen in Parijs kwam de oliesmokkel van IS opnieuw in de aandacht. President Poetin toonde aan zijn collega's in de G20 foto's van kilometers lange colonnes tankwagens die olie exporteerden van velden onder de controle van IS. Dezelfde dag kwam het bericht dat de Amerikaanse luchtmacht 116 van die trucks vernietigd had.

We weten al langer dat olie de belangrijkste inkomstenbron is van de terreurorganisatie. Onderzoekjournalistiek van onder meer de Financial Times onthulde dat de productie en smokkel van olie IS iets tussen de 270.000 en 3 miljoen euro per dag zou opleveren. Die trafiek loopt van oliebronnen in SyriŽ en Irak langs verschillende (kleine) raffinaderijen tot afzetmarkten in de regio.

IS overleeft niet enkel op ontvoeringen en oliegeld. Ook giften van gefortuneerde individuen uit Saudi-ArabiŽ en de Golfstaten hebben de terreurorganisatie zeker in de beginperiode mee grootgemaakt. Enkel door die geldstroom kon ze tienduizenden strijders aantrekken, bewapenen en vergoeden. Fracties in die oliestaten zagen IS een tijd lang als een middel om regionale rivalen zoals het sjiitische Iran een hak te zetten.

Een belangrijk deel van de olie en het gas in Europa komt van dubieuze regimes zoals Saudi-ArabiŽ, Qatar en Rusland. Na het neerhalen van vlucht MH17 boven OekraÔne, een aanslag die het leven kostte aan 298 mensen van wie 193 Nederlanders, voelden veel van onze noorderburen zich ongemakkelijk bij de Europese afhankelijkheid van Russisch gas. Voedt Europees geld niet (onrechtstreeks) de machtspolitiek van Poetin? Net zo zou de geldstroom vanuit Europa naar regimes zoals het Saudische steeds wranger kunnen smaken. Want de regionale conflicten, de verspreiding van een ultraconservatieve interpretatie van de islam en het ontstaan van terreurorganisatie IS werden alle gevoed met oliegeld.

Hebben we de mogelijkheid om niet langer beroep te doen op gas uit Rusland of olie uit het Midden-Oosten? Het alternatief dat we in de jaren 70 kozen, nucleaire energie, is door de terrorismedreiging een stuk minder aantrekkelijk. Bovendien is kernenergie enorm duur. Maar door de doorbraken in technologieŽn voor hernieuwbare energie en energiebesparing beschikken we nu over een ruimer pallet aan mogelijkheden. En dit aan een steeds lagere kostprijs.

We kunnen met investeringen, die zichzelf terugbetalen, volledig onafhankelijk worden van fossiele brandstoffen. Maar het is wel een transitie en investeringsprogramma dat op Europees niveau minstens dertig jaar duurt. Op korte termijn is het dus geen antwoord. Maar het biedt wel een perspectief om een belangrijke financieringsbron van conflicten, geweld en terrorisme op termijn te laten uitdoven, hoewel dat geen garantie is dat daarmee ook het terrorisme verdwijnt.

Het is precies in Parijs dat er over twee weken, tijdens de klimaatconferentie, een sterk signaal kan komen. Het klimaatakkoord moet de ambitie bevatten om op termijn het gebruik van fossiele brandstoffen wereldwijd te bannen. Zo blijft een belangrijke bron van conflict en geweld onder de grond.

reactiesreageer

aanpasdatum18 november 2015 | Mathias Bienstman