Home > Milieublog > januari 2007
Milieublog archief: januari 2007
Grondstoffen, Ruimte en natuur
Op maandag 29 januari ging in Hasselt een eerste ronde tafel door over de grindwinning in Limburg. In het grinddecreet van 1993 is vastgelegd dat in totaal 100 miljoen ton grind mag bovengehaald worden, waarna de grindwinning definitief moet stoppen. De grindwinning heeft immers een enorm negatieve impact op natuur en landschap en veroorzaakt veel hinderproblemen voor omwonenden. Nu het quotum van 100 miljoen ton bijna opgedolven is, wordt door de grindsector stevig gelobbyd om de grindwinning toch verder zetten. Dat is voor Erik Grietens een brug te ver.
Het grinddecreet kwam er na lange en moeizame discussies tussen gemeentebesturen, milieu- en natuurverenigingen en de grindsector. De milieubeweging en de betrokken gemeentebesturen deden toen verregaande toegevingen aan de grindboeren, op voorwaarde dat de grindwinning zou stopgezet worden na het bovenhalen van het afgesproken quotum. Bovendien werd twee jaar geleden nog een overeenkomst ondertekend tussen de grindsector en de Limburgse natuur- en milieuverenigingen, waarin letterlijk staat dat het grinddecreet loyaal wordt uitgevoerd en dat er geen initiatieven komen om de engagementen uit het grinddecreet te ondergraven. Voor de milieubeweging is de vraag tot het verder zetten van de grindwinning dan ook een mes in de rug.
De grindsector - met voorop Belbag, de Belgische federatie van grind en zand - startte een stevige lobbycampagne om de grindwinning voort te mogen zetten, niet zonder succes. De Vlaamse regering besliste immers om een overleg te organiseren met alle betrokkenen “om na te gaan of, na het beëindigen van het grinddecreet, er nog een draagvlak aanwezig is voor verdere grindwinning en onder welke voorwaarden.” Ondertussen schroomt de grindsector zich niet om argumenten de wereld in de sturen die kant noch wal raken. We zetten er enkele op een rij.
5.000 jobs in gevaar
Het stopzetten van de grindwinning zal geen 5.000 banen kosten, zoals de grindboeren beweren. In de eigenlijke grindwinning zijn 140 mensen actief. Voor hen werden via het Sociaal Comité van het grinddecreet jarenlang financiële reserves opgebouwd en werd een degelijk sociaal plan uitgewerkt. De 5.000 banen waarnaar verwezen wordt, zijn jobs in de verwerkende nijverheid: de beton- en asfaltfabrieken. Maar die bedrijven zullen niet failliet gaan als er geen grind meer gewonnen wordt in het Maasland, ze zullen hun grondstoffen gewoon (verder) invoeren.
Geen alternatieven
Belbag beweert dat er geen of te weinig alternatieven zijn voor de Limburgse grind. Die zijn er meer dan voldoende, bijvoorbeeld inert afval afkomstig uit bouw- en sloopafval en kunstgrind. Bovendien voeren bijna de helft van de beton- en asfaltbedrijven hun granulaten in. Het gaat dan om rotsgranulaten uit Wallonië, Noorwegen of Schotland. In deze regio’s hebben de afgravingen een veel minder negatieve impact op het landschap dan in het kleine en dichtbevolkte Vlaanderen. Hiermee wordt ook het fabeltje doorprikt dat Vlaanderen voor een “strategische zaak” als grondstoffen zelfvoorzienend moet zijn. Dat is in theorie misschien wel een mooi concept, de economische realiteit is helemaal anders. Uit de cijfers blijkt trouwens dat vandaag al meer dan de helft van de Limburgse grind wordt uitgevoerd naar Nederland.
Groen voor grind
Sommige voorstellen voor nieuwe grindwinning worden onder de noemer ‘groen voor grind’ gepresenteerd als een bijdrage tot natuurontwikkeling. Natuurontwikkeling op voormalige ontginningsgebieden is echter problematisch. Om rendabel te zijn wordt grind tot 40 à 50 meter diep ontgonnen, wat véél te diep is om een waardevol natuurbiotoop te kunnen ontwikkelen. Om natuur kansen te geven zouden dergelijke plassen tot juist onder maaiveldniveau moeten opgevuld worden, wat in de praktijk niet haalbaar is.
Ook “natuurontwikkeling” is dus geen argument om verder te ontgrinden, wel integendeel. De locaties die nog in aanmerking komen voor ontginning, zijn allen ecologisch waardevolle gebieden. Sommige locaties zijn gelegen in bos- of natuurgebied, andere locaties zijn gelegen in of grenzen aan Europees beschermde Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Verdere ontginningen zullen dus hoe dan ook zorgen voor de vernietiging van waardevolle natuurbiotopen.
29 januari 2007 | Erik Grietens