Milieublog

Home > Milieublog > juni 2007

Milieublog archief: juni 2007

Share

Een klimaatminister met inhoud!

thema’sKlimaat & energie, Milieu & politiek

22/06
2007

De verkiezingen hebben de politieke kaarten grondig herschud: neergang van de socialisten, heropstanding van de groenen – in Wallonië en Brussel voluit, in Vlaanderen met de rem op – sprong voorwaarts van de christendemocraten in Vlaanderen en liberalen die in het Frans glunderen en in het Vlaams stoer doen. De avond van 10 juni was alles duidelijk. Sindsdien is alles onduidelijk. Komt er snel een nieuwe regering? Wordt de levensduur van de kerncentrales toch opnieuw gerokken? En die klimaatminister, hoe zit het daarmee? Wie het antwoord weet, mag het ons melden. In afwachting had de milieubeweging een wat ongewone ontmoeting met de informateur. Onze blog brengt het verhaal …

Op woensdag 20 juni hadden wij de eer en het genoegen aan te schuiven aan de (niet zo) ronde tafel van informateur Reynders om het te hebben over duurzame ontwikkeling, klimaat en leefmilieu. ‘Wij’, dat was in dit geval een uitgebreide delegatie van de milieubeweging (Reynders had in zijn adresboek iedereen aangekruist die hij van groene gedachten verdacht, zodat we onder meer het gezelschap kregen van de federale leefmilieuadministratie, van klimatoloog Jean-Pascal van Ypersele,  van voorzitter Theo Rombouts van de Federale Raad Duurzame Ontwikkeling en… van de studiedienst van Ecolo!). In dit bonte gezelschap maakten de milieuorganisaties éénsluidend duidelijk waarvoor zij gekomen waren: een ‘klimaatminister’ met grote bevoegdheden (lid van het kernkabinet, dus minstens vice-premier) die de portefeuilles leefmilieu, duurzame ontwikkeling en energie combineert en bovendien transversaal kan samenwerken met zijn collega’s van mobiliteit, overheidsbedrijven en economie. 

Maar een minister zonder programma hoeven wij niet. Daarom werd ook dat pakket meteen aan de informateur gepresenteerd: de nadruk van het nieuwe klimaat/energiebeleid moet komen te liggen op de maximale ontwikkeling van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie. Met duidelijke doelstellingen, zodat er een echt investeringsklimaat wordt gecreëerd. En uiteraard zonder wijziging van de wet op de kernuitstap, zodat het investeringsklimaat ook weer niet meteen onzeker wordt …  

Niemand rond de tafel sprak ons tegen. Zodat het voor de informateur duidelijk was: de milieubeweging vormt, over de taalgrenzen heen, een solide blok, mét visie. Die visie diepten we overigens verder uit door de informateur concrete voorstellen te overhandigen: over biodiversiteit (hier en in de Congolese bossen), over productbeleid, over openbaar vervoer en automobiliteit, over passiefhuizen en derdepartijfinanciering, over de Noordzee (onze elfde provincie, de enige die onder de klimaatverandering nog dreigt te groeien …er kon zelfs een grapje af).

Al bij al een nuttige oefening, ook al was de huidige informateur, onder zijn pet van minister van financiën en MR-voorzitter, niet altijd de meest groene onder onze medemensen. Het is echter voor de milieubeweging ontzettend belangrijk om ook buiten de klassieke ‘milieugevoelige’ politici van rood en groen gehoor te vinden.

Wordt ongetwijfeld vervolgd … in het regeerakkoord?

reactiesreageer

aanpasdatum22 juni 2007 | Jan Turf


In Vlaanderen regeert nog steeds The Old Urbanism

thema’sWater, Lucht, Ruimte en natuur, Economie

7/06
2007

Het belang van ruimtelijke ordening voor de kwaliteit van het leefmilieu kan moeilijk onderschat worden. Waar er nieuwe wegen komen, waar we woonkernen leggen, welke stukken open ruimte we aansnijden voor industrie of transport -- het heeft allemaal een drastische impact op lucht, water, hinder, natuur en klimaat. Daarom is het zo verwonderlijk, stelt BBL-adviseur Erik Grietens, dat in het kleine Vlaanderen de stroming van het New Urbanism nog steeds niet is doorgedrongen. De New Urbanists ontstonden eind vorige eeuw in de Verenigde Staten, als een antwoord op de klassieke Amerikaanse woonwijken. Die liggen ver van de centra, en hebben tot gevolg dat alle verkeer met de wagen moet gebeuren. New Urbanism pleit voor een veel intelligentere mix van wonen, shoppen, werken en vrije tijd. In de Europese Unie begint het New Urbanism nu langzaam door te breken. Maar in Vlaanderen regeert nog altijd The Good Old Urbanism...

Vlaamse ‘Old Urbanism’ 

Op de Europese top van 24 mei ondertekenden de 24 Europese ministers voor stedelijk beleid het “Leipzig Charter” http://www.eu2007.de/en/News /download_docs/Mai/0524-AN /075DokumentLeipzigCharta.pdf, een programma voor duurzame stedelijke ontwikkeling. Het Charter stelt dat stedenbouwkundige projecten meer rekening moeten houden met impact op klimaat en luchtkwaliteit, onder meer door stadsprojecten af te stemmen op investeringen in openbaar vervoer en door meer aandacht te schenken aan fietsers en voetgangers. Verder roept het Charter op om te investeren in de kwaliteit van publieke ruimtes en achtergestelde stadsbuurten, om zo wonen in de stad op te waarderen en verdere uitdijing van de stad tegen te gaan.  

Het Leipzig Charter bouwt voort op de ideeën van het “New Urbanism” http://www.newurbanism.org/, een stedenbouwkundige beweging die in de jaren ’80 ontstond in Amerika als reactie tegen de steeds verder uitdijende suburbs. Aan die typisch Amerikaanse woonwijken, ver weg van de grote gevaarlijk stad, kleven immers een heleboel nadelen. Door hun lage bebouwingsdichtheid souperen ze veel grondgebied, ten koste van ruimte voor natuur of landbouw. Door hun afgelegen ligging ten opzichte van de stad, zijn de bewoners volledig afhankelijk van hun auto, waardoor de autopendel van en naar de stad explosief toenam. Dat brengt dan weer grote hoeveelheden luchtvervuiling mee, zowel op lokaal - fijn stof - als op globaal niveau - impact op klimaat. En omdat het woningbestand in suburbs quasi volledig uit koopwoningen bestaat, zorgt deze woonvorm voor segregatie van sociaal zwakke groepen. Die blijven noodgedwongen achter in veelal raciaal samengestelde getto’s in de steden.  

De aanhangers van het new urbanism trachten tegen de suburbane stroom in te roeien. Ze komen op voor de herwaardering van het wonen in de stad. Stedelijke ‘infill’ (inbreiding) moet de behoefte aan bijkomende woningen opvangen. Voetgangers zijn het uitgangspunt in hun stedenbouwkundig concept: stedelijke voorzieningen moeten gelegen zijn op wandelafstand, wijken moeten onderling verbonden worden via wandel- en fietsassen. Door een goede mix van functies – wonen, werken, winkelen, cultuur,… - op het niveau van een wijk, een bouwblok én een gebouw, ontstaan levendige en bewandelbare stadsbuurten. Door aan een hoge dichtheid te bouwen, blijft er meer ruimte voor groen en speelruimte voor kinderen. Goede openbaar vervoersverbindingen tussen steden zorgen er voor een dat bewoners niet afhankelijk zijn van hun auto. New urbanists hechten bovendien veel belang aan het sociaal evenwicht in de stad. Door verschillende woningtypes van verschillende prijsklassen en huur- en koopwoningen te mixen, wordt gettovorming en sociale segregatie tegengegaan.  

Suburbs = verkavelingen

Een Amerikaanse suburb is in vele opzichten vergelijkbaar met een Vlaamse verkaveling. Ook die souperen enorm veel ruimte, zodanig veel zelfs dat Vlaanderen vandaag de meest versnipperde regio van Europa is. De Vlaamse verkavelingsdrang zorgt er niet alleen voor dat open ruimte op de schop gaat, maar ligt ook aan de basis van de steeds toenemende files. Omdat woon- en werkgebieden te ver van mekaar liggen en mensen te verspreid wonen, neemt het autoverkeer hand over hand toe, samen met de luchtvervuiling. De verkaveling van Vlaanderen gaat nog steeds volop door. Het volstaat om rond te kijken: overal waar je komt langs Vlaamse wegen, kom je wel een bouwwerf tegen.  

Nochtans heeft Vlaanderen belangrijke troeven in handen om het tij te keren. Vooreerst beschikken we over een heel fijnmazig spoorwegnetwerk met een aanvullend tram- en busnet. Dat netwerk zou als ruggengraat gebruikt moeten worden om nieuwe woonwijken in te planten. Door bijkomende woonmogelijkheden te voorzien op wandelafstand van stations, kunnen steden en gemeenten een alternatief bieden voor nieuwe verkavelingen in landelijke gebieden, één van de hoofdoorzaken van het toenemende verkeersinfarct.  

Ook ‘de trend van het appartement’ kan een kernversterkend beleid stimuleren. De bouw van appartementen in centra boomt. Stedelijk wonen is opnieuw in trek bij jongeren en senioren, wegens de nabijheid van allerlei stedelijke voorzieningen, cultuur, cafés,… Belangrijk is dan wel dat bij de bouw van appartementen niet éénzijdig gemikt wordt op het klassieke segment van 1- en 2-slaapkamerappartementen, omdat die het meest winstgevend zijn. Ook gezinnen met kinderen moeten aan hun trekken komen in stedenbouwkundige concepten voor stadsprojecten. Het blijkt immers dat eens een gezin kinderen krijgt, men snel de stad inruilt voor een verkaveling in het groen. Dat is ook niet zo verwonderlijk, aangezien gezinnen met kinderen nu veel moeite hebben om een voldoende grote en betaalbare woning met een tuintje te vinden in de stad. Door het gebrekkige aanbod in de stad, moeten deze gezinnen wel uitwijken naar verkavelingen aan de rand.  

Daarom moet bij stadsprojecten meer ruimte voorzien worden voor woonmogelijkheden voor gezinnen, gebouwd aan een hoge stedelijke dichtheid in een groene en autoluwe, kindvriendelijke omgeving. Dat veronderstelt voldoende grote woongelegenheden met ruim terras of tuin, genoeg buitenspeelruimte, plaats voor fietsen te  stallen,…  

Ruimte is meer dan grond. Het zou stilaan duidelijk moeten worden dat ook in de stedenbouwkundige projecten rekening moet worden gehouden met hun invloed op het milieu, zowel om lokale luchtkwaliteit te verbeteren als om de impact op de globale klimaatverandering te beperken. De weerstand om in ruimtelijke plannen rekening te houden met milieudoelstelling blijft echter groot. Zo vindt onze minister van ruimtelijke ordening dat luchtvervuiling door verkeer geen probleem is van ruimtelijke ordening. Dat moet maar opgelost worden door de ministers van leefmilieu, die de auto’s properder moeten maken. Die redenering valt niet te rijmen met de bevindingen van de wereldgezondheidsorganisatie. Die stelt al jaren dat de milieuwinst door technische verbeteringen aan auto’s, teniet zal gaan door de groei van het autoverkeer. Die groei wordt in de hand gewerkt door een autogerichte ruimtelijke planning, met soepele voorwaarden voor nieuwe verkavelingen, mega-pendelparkings in de stad, kantoren aan de autostrade of het aanleggen van nieuwe autowegen. En zo komen we terug uit bij de ruimtelijke planning. Daar knelt in het versnipperde Vlaanderen nog steeds het schoentje: zolang we vasthouden aan “old urbanism”, blijven we dweilen met de kraan open.

 

reactiesreageer

aanpasdatum7 juni 2007 | Erik Grietens


Dromen van groene stroom

thema’sKlimaat & energie

1/06
2007

Wij horen het minister Peeters graag zeggen: hoe goed de Vlaamse regering haar best doet om groene stroom te ondersteunen, en de successen die ze daarbij boekt. Dat doet ons vooral dromen over hoe groot die successen pas echt zouden kunnen zijn. Want het is soms moeilijk te geloven hoe hard groene stroom groeit, als je ziet welke hindernissen de Vlaamse regering er voor opwerpt. Zo raakte net bekend dat de hervorming van de ecologiesteun die minister Moerman doorvoerde, vooral een nieuwe slag voor de hernieuwbare energieproducenten betekent. We wachten ook nog altijd op minister Peeters om de groene stroomdoelstelling voor 2018 vast te leggen, wat het regeerakkoord nochtans beloofde tegen 2006. Die doelstelling is opnieuw belangrijk voor het stabiele investeringsklimaat dat we nodig hebben om hernieuwbare energie te laten groeien. En tenslotte is het toch wel jammer dat de Vlaamse regering blijkbaar zo schrikt van het succes van de zonnepanelen bij particulieren, dat ze het budget niet aanpast aan de vraag naar steun.

Milieuvriendelijke investeringen krijgen in Vlaanderen en België langs verschillende wegen ondersteuning. Voor hernieuwbare energieproducenten zijn twee instrumenten samen van groot belang: de groene stroomcertificaten en de ecologiesteun. De eerste is een vergoeding voor de geproduceerde stroom, de tweede een eenmalige subsidie bij de start van de investering. Omdat de ecologiesteun niet de milieuresultaten opleverde die er van verwacht werden, moest de regeling hervormd worden. Tot zover geen probleem, integendeel. De Vlaamse regering vond echter tegelijk dat het budget voor die ecologiesteun de pan uit swingde, en dus beter onder controle moest raken. Dus voerde terzake bevoegd minister Moerman door dat de toekenning van de steun voortaan via een wedstrijdformule zou verlopen, wat de investeringszekerheid zeker niet bevordert, en bedrijven eerder afschrikt dan aanmoedigt. Bovendien komen investeringen door "derden" niet langer in aanmerking. Een energieproducent die op het terrein van een ander bedrijf of een particulier een windturbine wil bouwen, kan niet langer van ecologiesteun genieten. Minister Moerman steekt - onterecht - de schuld op Europa. En omdat de nieuwe regeling uitwerken zo lang aansleepte in de Vlaamse regering, en Financiën ondertussen zeer ongelukkig is, moet de nieuwe regeling met terugwerkende kracht worden ingevoerd. Heel concreet betekent dat voor een kleine alternatieve producent als Ecopower, dat al besliste projecten terug naar af worden gestuurd. Inclusief een heel mooi bio-WKK project, en een grootschalig PV-dakenproject. Misschien kan een oplossing worden gevonden door een andere vorm van samenwerking met de bedrijven op wiens terrein de projecten worden gerealiseerd... Maar het betekent weer een vertraging in het inhalen van onze absolute Europese staartpositie in hernieuwbare energie. Lees ook het persbericht dat Ecopower verstuurde.

Een oplossing voor het verlagen van de ecologiesteun voor hernieuwbare energie, zou overigens het optrekken van de steun via groene stroomcertificaten kunnen zijn. De hervorming die daarvan is aangekondigd, laat echter ook al jaren op zich wachten. Vito voerde een studie uit over de reële steun die de verschillende vormen van hernieuwbare energieproductie nodig hebben. Sindsdien werd het stil. Wij durven er veel op verwedden dat de impact van de groene stroomcertificaten op de stroomprijs die de energie-intensieve bedrijven betalen, opnieuw het struikelblok zal zijn. Dat was zo toen de steun voor het offshore park op de Thorntonbank moest worden beslist, dat zal nu niet anders zijn.

De Vlaamse regering nam zich in haar regeerakkoord voor om een nieuwe groene stroomdoelstelling vast te leggen tegen 2018. De huidige doelstelling loopt tot 2010, en aangezien we ondertussen 2007 zijn, is dat een onvoldoende verre horizon. Bovendien zeggen de prognoses ons dat we de doelstelling voor 2010 zullen overschrijden, en dat we dus verder kunnen gaan. De nieuwe doelstelling zou in 2006 worden vastgelegd. Wij drongen er begin 2006 op aan dat de regering haar regeerakkoord zou uitvoeren. Minister Peeters reageerde toen sussend. Maar ondertussen zijn we 2007, en hebben we nog altijd geen nieuwe doelstelling.

De regering neemt echter ook wel goede beslissingen. Bijvoorbeeld het optrekken van de waarde van groene stroomcertificaten van fotovoltaïsche panelen, in combinatie met een investeringspremie. Daarnaast kan de investeerder nog genieten van een verhoogde fiscale aftrek. Dit pakket zorgde voor een ongekende toename van panelen op de daken van huizen en bedrijven. Het ene grootste project na het andere volgde elkaar op. In 2006 werden 4 keer meer panelen geïnstalleerd dan in 2005. Dezelfde trend tekent zich af voor 2007. Alleen... het geld voor de investeringspremie raakte door het grote succes telkens halverwege het jaar al op. Waardoor de dossiers bleven en blijven liggen tot volgend jaar. Dit jaar trok de regering het budget op toen het in maart al op was. Maar de vraag blijft het aanbod overtreffen. Nu kunnen we ons misschien afvragen of de steun doelmatiger kan worden georganiseerd. Maar het allerbelangrijkste is dat de groei van hernieuwbare energie niet vertraagd wordt.

En dus hebben we eenduidige boodschappen van de regering nodig. Op welke steun kunnen we rekenen, en op welke niet?

reactiesreageer

aanpasdatum1 juni 2007 | Bram Claeys