Home > Milieublog > juli 2007
Milieublog archief: juli 2007
De afgelopen dagen stonden verschillende delen van West-Vlaanderen onder water. “Brute pech” volgens een artikel in De Standaard, “het heeft gewoon veel te veel geregend”. “Eigen schuld” dan weer volgens sommige getroffen bewoners. Teveel beken rechtgetrokken, slecht onderhoud van de rioleringen, bouwen in overstromingsgebied en de klimaatverandering natuurlijk, die het meer doet regenen. Wie heeft er gelijk?
Lees en beslis zelf.
Voor beide stellingen valt er veel te zeggen. Brute pech is het inderdaad, als je 87.7 liter neerslag per vierkante meter op enkele uren in je nek krijgt, zoals in Poperinge. Wetende dat de grens om als ramp erkend te worden, rond de 70 liter/m²/dag ligt volgens het KMI, is duidelijk dat de normale infrastructuur niet berekend is op dit soort onweer. Niettemin is er ook aanzienlijke overlast op vele andere plaatsen in West-Vlaanderen, waar die 70 liter niet uit de hemel is gevallen. En voor moest u het al uit het oog verloren zijn, al sinds het voorjaar kan er geen fatsoenlijk onweer over het land trekken of er staan kelders en huizen onder water (over de wegen gaan we het zelfs niet hebben) – kijk uw krantenarchief er maar eens op na.
Er schort dus iets aan het waterbeheer.
Alle reden dus om eens kritisch naar de lokale waterhuishouding in
Vlaanderen te kijken. In sé is het probleem dat iedereen zo snel
mogelijk van het water vanaf wil. Van op daken, straten, pleinen,
fabrieken, akkers wordt er bij een forse regenbui massaal water
afgevoerd – naar riolen, grachten en beken. In al deze stappen zitten
grote knelpunten.
Om te beginnen wordt er nog steeds te weinig water op het eigen terrein
gebufferd. Er is wel een stedenbouwkundige verordening die voor
nieuwbouwers verplichtingen oplegt inzake buffering en hergebruik, maar
het ambitieniveau ervan volstaat in het geheel niet. Dat is toch de
mening van de water-experts en rioolbeheerders die hard aan het werken
zijn aan een verbeterde versie. Benieuwd of de Vlaamse Regering de moed
zal hebben hun advies te volgen.
De akkers zijn een tweede probleem. De streek van Poperinge is een goed
voorbeeld: hellend terrein + intensieve landbouw = snelle afstroming
& veel erosie. Oplossingen genre kunstmatige bufferbekkens en
regelmatige slibruimingen zijn duur en een straatje zonder eind. Er
moet aan de bron ingegrepen worden. Het goede nieuws is dat de
Boerenbond (of toch hun vertegenwoordiging in de SERV en Mina-Raad) dat
goed lijkt te beseffen – het is echter op het terrein dat de aanpak van
erosie de komende jaren zal waargemaakt moeten worden.
De grachten en de beken waar dat afstromende water naartoe moet, zijn
door de band in nauwe keurslijven gedwongen. Te veel (baan)grachten
zijn simpelweg dichtgegooid, zeker langs lintbebouwing en bij
verkavelingen. Die verloren gegane bergingscapaciteit wordt tijdens
hevige regenval hard gemist. De gemeenten moeten hier de hand in eigen
boezem steken: zij hebben hier actief of passief aan meegewerkt.
Daar waar er nog grachten en beken zijn, hebben ze dikwijls te weinig
ruimte. Ze zijn te smal bemeten, rechtgetrokken (weeral minder
capaciteit) en hebben geen gebieden waar ze nog kunnen overstromen. De
problematiek van het bebouwen van overstromingsgebieden is ondertussen
genoegzaam gekend, maar sommigen blijken niettemin hardleers (zie www.nattevoeten.be).
En dan zijn er nog de riolen. Het gros van de rioleringen is nog van
het gemengde type (spijtig genoeg) en speelt dus, zeker in stedelijke
gebieden, een belangrijke rol in de afwatering. Veel gemeenten
verwaarlozen echter hun stelsel. Er wordt, volgens cijfers van de VVSG,
te weinig geïnvesteerd in onderhoud en vervanging. Dat is vragen om
problemen.
Netto resultaat is niet alleen dat er in West-Vlaanderen twee keer op
twee jaar tijd grote overstromingen zijn, maar ook dat het de tweede
keer is dat er een zwemverbod moet afgekondigd worden aan de kust. Door
de massale overstorten van de rioleringen is ongezuiverd afvalwater
naar de zee gestroomd. Een duidelijkere illustratie van de nood aan een
écht integraal waterbeleid is moeilijk denkbaar.
Het is dan ook enigszins schrijnend te moeten vaststellen dat de
structuren en plannen uit het integraal waterbeleid die aan deze
problemen het hoofd zouden moeten bieden, maar erg traag onder stoom
komen. Wie de ontwerp-deelbekkenbeheerplannen gelezen heeft, en
enigszins zicht heeft op de budgetten die er tegenover staan, weet dat
we de komende jaren geen grote vooruitgang moeten verwachten. De
waterschappen (die het waterbeheer in een deelbekken zouden moeten
aanpakken) blijven grotendeels papieren constructies. De provincies,
die de waterschappen moeten trekken, zullen een paar tanden mogen
bijsteken om de verwachtingen waar te maken. En al helemaal in
West-Vlaanderen, waar ze het simpelweg vertikt hebben om
deelbekkenplannen op te maken. Niet vandoen, ongetwijfeld.
Conclusie? Tegen een ramp valt weinig te beginnen, maar er kan in het
waterbeleid nog aanzienlijke vooruitgang geboekt worden, die veel
schade kan voorkomen of toch minstens beperken. En denk intussen twee
keer na voor u een huis koopt in een nieuwe verkaveling aan de
broekstraat of de meersendreef.
26 juli 2007 | Wim Van Gils