Home > Landbouw > GGO's > Visietekst
Thema: GGO's
Bij een genetisch gemodificeerd organisme (GGO) wordt het genetische materiaal veranderd op een wijze die op natuurlijke manier niet mogelijk is. Extra eigenschappen worden toegevoegd of bestaande eigenschappen worden gewijzigd. In theorie kan erfelijk materiaal worden uitgewisseld over de verschillende levensvormen (bacteriën, virussen, schimmels, gisten, planten, dieren en de mens). Wetenschappelijk staat deze techniek nog in de kinderschoenen. Er bestaan nog veel onzekerheden, zo kunnen wetenschappers op dit moment nog niet met zekerheid voorspellen wat het gedrag zal zijn van een GGO, eens dat het in milieu is geïntroduceerd, of wat de lange termijn effecten van een GGO zijn op mens en leefmilieu. Het feit dat GGO’s al voor landbouwtoepassingen worden gebruikt (momenteel vooral in de VS, Argentinië, Canada en China), en dus bewust worden vrijgezet in het milieu, houdt belangrijke risico’s in. Daarom ook dat Europa sinds 1998 een de facto moratorium op de verdere commercialisering van genetisch gemodificeerde gewassen had ingesteld. Dit moratorium kwam echter meer en meer onder vuur te liggen en Europa keurde ondertussen toch een aantal GGO’s goed voor invoer en zelfs voor teelt.
BBL vindt de bestaande regelgeving te beperkt. Zo meent BBL, samen met een platform van verschillende milieu- en noordzuidorganisaties:
- Dat GGO’s niet de voordelen bieden die de biotechindustrie ze toeschrijft. Voldoende voedselproductie op een milieuverantwoorde manier kan wel perfect gerealiseerd worden met de klassieke landbouwtechnieken, mits voldoende onderzoek en investeringen. Daarom moet het landbouwkundig onderzoek meer toegespitst worden op duurzame landbouw.
- dat er naast een wetenschappelijke risico-evaluatie per geval ook een duurzaamheidsevaluatie moet gebeuren. Risico-evaluaties houden immers steeds beperkingen in. Er kan maar rekening worden gehouden met de huidige stand van de wetenschap, die voor deze techniek nog zeer beperkt is. Door ook een duurzaamheidsevaluatie te introduceren wordt ondermeer ook de maatschappelijke relevantie van een nieuwe introductie geëvalueerd.
- Dat de risico-evaluatie zodanig moet zijn dat met zekerheid een uitspraak kan gedaan worden over het eventuele risico voor mens, dier en milieu. Zo dient de lange termijn impact van GGO’s te worden onderzocht, evenals het effect op niet-doelwit organismen. Onderzoek moet onafhankelijk gebeuren, de lokale milieu- en ecosysteemkenmerken in acht nemen, en onderzoeksresultaten moeten openbaar zijn.
- Dat naast de impact op milieu en gezondheid ook de socio-economische impact van de introductie van GGO’s moet onderzocht worden.
- Dat GGO-vrije producenten op geen enkele manier mogen worden benadeeld door GGO-producenten. Het principe ‘de vervuiler betaalt’ moet worden toegepast op GGO-introductie. Dit betekent ondermeer dat de GGO-producent de nodige voorzorgsmaatregelen moet nemen en aansprakelijk is voor de schade die wordt opgelopen.
- Dat er geen tolerantiedrempel voor GGO’s in GGO-vrije zaden mag worden toegelaten. Zaden staan immers aan het begin van de productieketen. Indien daar al GGO’s zouden worden toegelaten, dan zullen ongewenste GGO’s zich probleemloos en massaal verspreiden in de voedselketen. De keuzevrijheid voor de consument en de boer zou dan heel snel onder druk komen te staan.
- Dat er geen octrooien komen op biologisch (levend) materiaal.
- Dat GGO-voedsel niet onder het mom van voedselhulp mag worden opgedrongen aan ontwikkelingslanden. Alle landen hebben het recht op informatie, keuze en het toepassen van het voorzorgsbeginsel. Dit is ook erkend in het Carthagenaprotocol.
- Dat het landbouwkundig onderzoek zich meer moet toespitsen op duurzame landbouw. Momenteel zijn er geen verdeelsleutels voor GGG-landbouw, biologische landbouw,… voorhanden. De overheid moet sturend optreden en voorrang geven aan duurzaamheidscriteria bij het toekennen van middelen voor landbouwonderzoek.