Themabeeld

Home > Afval > Visietekst

Thema: Afval

Zolang we afval blijven produceren, blijven we ook grondstoffen en energie verspillen. Vanuit milieuoogpunt moet het voorkomen van afval dan ook de absolute prioriteit krijgen. Afval dat niet kan voorkomen worden, moet maximaal worden gerecycleerd. Wat ook niet recycleerbaar is, komt in aanmerking voor energierecuperatie. Het storten van afval moet steeds de laatste optie blijven. Deze afvalbeheershiërarchie – ook wel de ladder van Lansink genoemd – moet de rode draad vormen van het afvalbeleid. Het afvalbeleid moet aanzetten tot duurzame productie- en consumptiewijzen waarbij stofkringlopen worden gesloten.

De laatste jaren is in Vlaanderen de hoeveelheid nog te verwijderen restafval drastisch teruggedrongen. Dat is vooral het resultaat van aanhoudende inspanningen op het vlak van de selectieve inzameling en verwerking van specifieke afvalfracties zoals verpakkingen, groente-, fruit- en tuinafval (GFT) en papier en karton. De laagdrempelige inzameling van deze fracties (aan lage kostprijs, huis-aan-huis en met hoge frequentie) gaat dikwijls wel ten koste van afvalpreventie. Zo kan een goedkope GFT-inzameling ten koste gaan van het thuiscomposteren en bevordert het door FOST-Plus opgezet inzamelsysteem voor verpakkingen geen verpakkingsarm aankoopgedrag. Immers, precies die verpakkingen waarvoor hervulbare/herbruikbare alternatieven op de markt zijn, mogen met de blauwe zak van FOST-Plus worden meegegeven (plastic drankflessen, flacons, brikverpakkingen ...). Die verpakkingen waarvoor geen hervulbare alternatieven bestaan (botervlootjes ...) en waarvoor selectieve inzameling/recyclage juist zinvol zou kunnen zijn, worden door FOST-Plus niet gerecycleerd. FOST-Plus legt zich dus toe op de verkeerde verpakkingen.

De daling van de hoeveelheid restafval heeft dan ook niet kunnen voorkomen dat de totale  hoeveelheid geproduceerd afval jaarlijks nog stijgt. Vandaar dat BBL voorstander is van aanhoudende inspanningen op vlak van afvalpreventie. Zo moeten de variabele kosten van de inzameling en verwerking van selectieve fracties (GFT en verpakkingen) en restafval via een gedifferentieerde tarifering (DIFTAR) worden doorgerekend. Daarbij moet voldoende prijsspanning worden behouden tussen de recipiënten voor restvuil en de recipiënten voor selectieve fracties (om sorteren te bevorderen), terwijl de prijszetting voor de selectieve fracties dan weer hoog genoeg moet zijn om preventie (b.v. thuiscomposteren) te stimuleren. Maar daarnaast blijven ook sensibilisatie, het waarmaken van de voorbeeldfunctie door overheden (afvalbesparende milieuzorgsystemen in overheidsgebouwen en -diensten) en premies voor b.v. herbruikbare luiers van belang. Daarnaast moeten voor zoveel mogelijk productgroepen systemen van uitgebreide producentverantwoordelijkheid worden opgezet waarbij producenten de volledige (financiële) verantwoordelijkheid krijgen voor de inzameling en verwerking van hun producten in de afvalfase (binnen de door de overheid vastgelegde randvoorwaarden inzake hergebruik, recyclage en milieuverantwoorde verwerking). Op Europees en federaal vlak dringen wij aan op ecolabels, afvalbesparende productnormen, een ecoboni/ecoheffingen-systeem dat navulbare verpakkingen bevordert en een gedifferentieerde verpakkingsmaterialentaks die aanzet tot minder en minder milieubelastende verpakkingsmaterialen.

Om stofkringlopen beter te sluiten moeten primaire grondstoffen ook maximaal door secundaire grondstoffen worden vervangen. Dat kan door, in het kader van de producentenverantwoordelijkheid, de recyclagedoelstellingen voor verschillende fracties op te trekken. Daarnaast kunnen in het productbeleid voor bepaalde (onderdelen van) producten minimale quota worden opgelegd aan te betrekken gerecycleerd materiaal, kan in overheidsbestekken (b.v. voor bepaalde bouwwerken) verplicht worden om secundaire grondstoffen aan te wenden of kunnen heffingen worden ingesteld op het gebruik of de ontginning van primaire grondstoffen, delfstoffen of materialen. De milieuhygiënische normen waaraan secundaire grondstoffen moeten beantwoorden moeten wel streng genoeg zijn om de disperse verspreiding van gevaarlijke stoffen te voorkomen. In Vlaanderen zijn de normen voor het gebruik van bagger- en ruimingsspecie en grondoverschotten als vrije bodem, alleszins te soepel en zetten zij niet aan tot het voorafgaand scheiden en opwerken van de baggerspecie in schoon materiaal.

Ondanks alle inspanningen inzake voorkoming, hergebruik en recyclage van afval, blijft er op korte en middellange termijn nog een aanzienlijke hoeveelheid te verwijderen afval over. Tot nog toe werd die ofwel gestort ofwel verbrand in klassieke roosterovens. BBL wil alvast dat het storten van afval – waarbij energie en grondstoffen verloren gaan en gevaarlijke stoffen naar het grondwater kunnen uitspoelen – definitief tot het verleden gaat behoren. BBL vindt dat voor de ontbrekende capaciteit voor de verwerking van het niet te voorkomen of te recycleren afval, best geïnvesteerd wordt in biologisch-mechanische of thermische voorbehandelingsinstallaties. Via deze voorbehandelingstechnieken kunnen de nog recupereerbare fracties uit het huishoudelijk restafval worden afgescheiden met het oog op een nuttige toepassing (inerte fractie, ferro- en non-ferro metalen …). De hoogcalorische restfractie die uiteindelijk overblijft kan onder betere omstandigheden en aan een hoger energetisch rendement worden verwerkt.