Energiezuinige wijken en energieproducerende woningen | Bond Beter Leefmilieu

U bent hier

Energiezuinige wijken en energieproducerende woningen

Erik Grietens

vrijdag 29 maart 2013

Alle Europese lidstaten hebben zich er toe verbonden om tegen 2020 de uitstoot de broeikasgassen met minstens 20% te verminderen. Een belangrijke uitdaging daarbij zijn onze woningen. Die zijn vandaag alles behalve energiezuinig: Belgische woningen verbruiken gemiddeld drie kwart meer energie dan het Europese gemiddelde. Een inhaalbeweging is dus nodig, zowel voor nieuwbouw als voor bestaande woningen. Het energiezuiniger maken van het verouderde gebouwenbestand vormt daarbij de grootste ambitie. 

Met de 20-20-20 doelstelling hebben alle Europese lidstaten er zich toe verbonden om tegen 2020 de uitstoot de broeikasgassen met 20% te verminderen, de energie-efficiëntie met 20% te verbeteren en in te zetten op 20% hernieuwbare energiebronnen. Deze maatregelen vormen maar een eerste stap. Willen we de klimaatverandering binnen de perken houden, dan mogen alle bestaande gebouwen binnen dit en veertig jaar omzeggens geen CO2 meer uitstoten. Onze woningen zijn echter alles behalve energiezuinig. Belgische woningen gebruiken gemiddeld maar liefst 72% meer dan het Europese gemiddelde.

Energieproducerende woningen

Een inhaalbeweging is dus nodig. Dat vraagt een aangepast beleid voor zowel nieuwbouw als voor bestaande woningen. Onder impuls van Europa moeten alle nieuwe gebouwen vanaf 2021 “bijna energieneutrale gebouwen” zijn, voor overheidsgebouwen geldt dat al vanaf 2019. Dat traject kan versneld worden. In 2017 zouden alle nieuwe gebouwen volgens BBL bijna energie neutraal moeten zijn en in 2020 energieproducerend. Dat wil zeggen dat ze met behulp van zonne-energie, geothermische energie meer energie produceren dan ze nodig hebben voor het eigen verbruik.

Normen afgestemd op voorlopers

Aangezien de bouwsector zich moet kunnen voorbereiden op de steeds ambitieuzere energieprestatie-eisen, moet het verstrengingspad zo snel als mogelijk worden omgezet in Vlaamse regelgeving met een corresponderend E-peil. Dat vraagt op korte termijn extra investeringen, maar zal daarna nog veel meer besparingen opleveren. Binnenkort moet de Vlaamse regering de normen bepalen waaraan bijna energieneutrale gebouwen moeten voldoen. Belangrijk daarbij is dat die normen worden afgestemd op de voorlopers onder de bouwfirma’s, niet op de mainstream en al helemaal niet op de achterblijvers.

Vlaanderen heeft sleutel in handen

Het energiezuiniger maken van het bestaande gebouwenbestand vormt de grootste uitdaging. Vanuit Europa wordt verwacht dat de lidstaten een stappenplan opstellen om tegen 2050 hun volledig gebouwenbestand energie-efficiënter te maken. Vlaanderen heeft hoe langer hoe meer hefbomen in handen om deze uitdaging aan te gaan. Zo biedt de Vlaamse wooncode de mogelijkheid om minimale energieprestaties op te leggen voor bestaande woningen. De Vlaamse regering maakte hier al gebruik van en legde via een minimale kwaliteitsnorm in de wooncode verhuurders op om tegen 2020 de daken te isoleren van huurwoningen. Die norm moet nu uitgebreid worden tot een vereiste voor hoogisolerende beglazing en een efficiënte verwarmingsketel.

Ondersteun energiebesparende ingrepen

Daarnaast biedt de regionalisering van de energiefiscaliteit de mogelijkheid om het Vlaamse ondersteuningsbeleid voor energiebesparende ingrepen te verbeteren. Sinds het afschaffen van de federale fiscale aftrek voor energiebesparende ingrepen, is het energiebesparingsbeleid voor woningen immers onthoofd. De beperkte bijkomende ondersteuningsmaatregelen die sindsdien door Vlaanderen werden ingevoerd (een verhoogde tegemoetkoming voor wie zijn ramen isoleert binnen de renovatiepremie en een hogere premie voor zonneboilers) volstaan niet om de afschaf van de fiscale aftrek op te vangen.

Ambitieus energierenovatieprogramma

Bovendien volstaat het subsidiëren van eenvoudige energiebesparende ingrepen niet langer. Vlaanderen heeft nood aan een diepgaande totaalrenovatie van al haar woningen. Naar het voorbeeld van landen zoals Denemarken of Duitsland moet een grootschalig en ambitieus energierenovatie programma opgezet worden. Dit programma moet een duidelijke kalender met concrete renovatiedoelstellingen bevatten, waarbij de energiestandaarden voor bestaande gebouwen stelselmatig worden aangescherpt om tegen 2050 de energievraag van gebouwen te reduceren met 90%. Hierbij wordt financiële ondersteuning gegeven voor gebouwen die beter scoren dan de standaard en ontmoedigende maatregelen ingevoerd voor gebouwen die niet voldoen. Om diepgaande renovaties te faciliteren moet de Vlaamse regering een hogere financiële ondersteuning geven voor totaalrenovaties.

Maak hele wijken in één keer energiezuinig

De grote uitdaging voor de toekomst is een aanpak te ontwikkelen die overstapt van het niveau van één woning naar het niveau van een ganse wijk. De huidige maatregelen beschouwen de woning te veel los van de buurt en focussen enkel op het verbeterpotentieel op woningniveau. Zo worden verbetermogelijkheden op wijkniveau over het hoofd gezien. Bij een wijkgerichte aanpak kan rekening worden gehouden met de wisselwerking tussen verschillende energiemaatregelen, zoals tussen de graad van energiebesparingsmaatregelen en de nood aan bijhorende aanpassingen aan elektriciteit- en warmtelevering. Een wijkrenovatie biedt meteen ook de mogelijkheid om de verschillende thema’s in deze renovaties geïntegreerd te benaderen (energie, ruimte, groen, mobiliteit, materialengebruik,…).

Durf kiezen voor afbraak en heropbouw

Bij de opmaak van een renovatieprogramma moet rekening gehouden worden met het feit dat er veel verouderde en versleten woningen op de markt zijn, bijvoorbeeld in de 19e eeuwse gordels van de steden. Die woningen zijn niet altijd meer geschikt om nog energiezuinig te renoveren. Oude woningen energiezuinig renoveren zal in veel gevallen meer kosten dan ze af te breken en een energiezuinige nieuwbouw in de plaats te zetten. Soms is het dan ook meer opportuun om te kiezen voor afbraak en heropbouw.

Volgende week deel 4: fiets en openbaar vervoer centraal