Landbouwers en bedrijven betwisten waterfacturen, Europese verplichtingen worden ‘vergeten’ | Bond Beter Leefmilieu

U bent hier

Landbouwers en bedrijven betwisten waterfacturen, Europese verplichtingen worden ‘vergeten’

Wim van Gils

donderdag 18 februari 2010

De vorige Vlaamse regering voerde de eengemaakte waterfactuur in. Deze eengemaakte waterfactuur werd over het algemeen gezien als een van de belangrijke verwezenlijkingen van de vorige legislatuur op vlak van leefmilieu, ook al was de bedoeling ervan zuiver financieel. Nu blijkt echter dat het haastwerk waarmee de invoering van de eengemaakte waterfactuur gepaard ging, voor blijvende problemen zorgt. Grootverbruikers (veelal bedrijven) klagen over de grote verschillen tussen de gemeentelijke saneringsbijdragen en vragen een uniformisering (naar beneden toe). De landbouwsector is ontevreden over de chaotische facturering én over het feit dat sommige landbouwers (dixit Boerenbond) ‘moeten betalen voor een dienst waarvan ze geen gebruik maken’.

In beide gevallen wordt verwezen naar het principe van ‘kostenterugwinning’ uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Dit houdt in dat alle watergebruikers een bijdrage moeten betalen voor de waterdiensten die ze benutten. Individuele bedrijven stellen nu dat ze proportioneel te veel betalen voor bepaalde diensten of dat ze in sommige gevallen moeten betalen voor voorzieningen waarvan ze geen gebruik maken.

Daarbij worden de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water echter bewust verengd. Volgens deze richtlijn moet tegen 2010 het waterprijsbeleid 'adequate prikkels' bevatten zodat de gebruikers de watervoorraden efficiënt benutten én moeten de watergebruikssectoren (ten minste onderverdeeld in huishoudens, bedrijven en landbouw) een bijdrage leveren aan de terugwinning van kosten van waterdiensten.

Het gaat dus niet op om de discussie te verengen tot individuele gevallen of tot de economische kost van één waterdienst (hier waterzuivering): men moet de sectoren in beeld brengen, hun bijdrage in de totale kosten (inclusief milieukosten!) beoordelen én bekijken of het huidige prijsbeleid wel adequate prikkels geeft inzake bvb. rationeel watergebruik.  

De overheid laat evenwel na deze sectorgegevens in kaart te brengen, of doet dat maar zeer gedeeltelijk. Dit geldt zowel voor drinkwater als voor afvalwater. De globale gegevens tonen echter aan dat de bijdragen die de gemeenten (en het gewest) vandaag ophalen, niet voldoende zijn om hun kosten inzake waterzuivering te dekken. Voor men gehoor gaat geven aan sectorale klachten, is het essentieel dat men dat kader wel heeft, én dat men uitklaart hoe men deze verplichtingen gaat invullen. Zoniet is het risico reëel dat de derde sector (huishoudens – u en ik dus) zal opdraaien voor de kosten die andere sectoren van zich afschuiven.

De bepalingen uit de Europese Kaderrichtlijn Water over kostenterugwinning en waterprijsbeleid gaan breed. Tegen 2010 moet het waterprijsbeleid ‘adequate prikkels’ bevatten voor de gebruikers om de watervoorraden efficiënt te benutten, en moeten de watergebruikssectoren (ten minste onderverdeeld in huishoudens, bedrijven en landbouw) een  bijdrage leveren aan de terugwinning van kosten van waterdiensten. Ook milieukosten worden daarbij in rekening gebracht volgens het pricipe ‘de vervuiler betaalt'.

BBL diende eerder al een klacht in bij de Europese Commissie over de te enge afbakening van de waterdiensten in Vlaanderen. Eind vorig jaar gaf de EC al aan dat de toepassing van kostenterugwinning breed moest gezien worden.

Een concreet voorbeeld: de veroorzakers van diffuse vervuiling (door bvb. nitraten of pesticiden) van oppervlaktewater en grondwater, zouden mee moeten betalen voor de kosten van (drink)waterzuivering. Vandaag wordt deze kost in Vlaanderen doorgerekend aan consument, niet aan de vervuiler.

In het gezamenlijk advies van de MINA-raad, SERV en SALV over de (ontwerp)-stroomgebiedbeheerplannen, werd al gesteld dat het plan tekortschoot inzake kostenterugwinning. Er werd gevraagd om een betere onderbouwing, een transparant en voorspelbaar beleid. Dit advies wijst ook op de noodzakelijke samenhang tussen prijszettingen voor verschillende waterbronnen én op de noodzaak om daar overleg over te voeren. Tot op heden is daar nog maar weinig van in huis gekomen.