Politiek debat over industrieel klimaatrapport van de milieubeweging: maar liefst 30 parlementaire vragen

In juni publiceerden BBL, Arbeid & Milieu en Greenpeace België een rapport over de vele ondersteuningsmaatregelen ten gunste van de zware industrie in Vlaanderen. Uit ons cijferwerk blijkt  dat de raffinaderijen, staal- en chemiebedrijven in Vlaanderen minstens een miljard euro per jaar aan compensaties, vrijstellingen en subsidies ontvangen. Toch krijgen ze hun CO2-uitstoot al meer dan tien jaar niet verder omlaag. Het rapport heeft een gevoelige snaar geraakt. De Vlaamse volksvertegenwoordigers stelden er begin juli maar liefst 30 parlementaire vragen over.

Hernieuwde aandacht voor klimaat en industrie

Een eerste interpellatie gericht aan minister van Economie en Innovatie Hilde Crevits (CD&V) vond plaats op 25 juni, twee weken later volgde een batterij vragen aan minister van Leefmilieu Demir (N-VA). Die grote interesse in klimaatbeleid voor de energie-intensieve industrie is geen toeval. Jarenlang werd gedacht dat men deze sectoren niet volledig kon decarboniseren. Sinds enkele jaren kantelt die overtuiging. 

Deze hernieuwde aandacht vindt vooral plaats in Europese kringen en binnen een aantal vooruitziende bedrijven die kansen zien in klimaatactie, of inzien dat een gebrek daaraan een groot risico vormt voor hun activiteiten. Dit debat sijpelt inmiddels door naar België, zij het nog erg traag. Ons rapport draagt bij aan deze discussie, die tot de kern zou moeten behoren van het relancebeleid en een nieuw industrieel beleid.

Zoals ons rapport stelt, ontbreekt momenteel elke vorm van transparantie op vlak van klimaatbeleid gericht op de industrie, is het ingesteld op incrementele maar ontoereikende efficiëntieverbeteringen, is het overwegend regressief en slechts gebaseerd op vrijwillige overeenkomsten tussen overheid en industrie die overduidelijk niet volstaan voor een fundamentele omslag. 

In onze conclusies stellen we een andere aanpak voor: Het is hoog tijd om het verouderde ‘klimaatcompromis’ om te keren. In plaats van klimaatbeleid te voeren op voorwaarde dat het de concurrentiekracht niet schaadt, is er vanaf nu nood aan een ambitieus klimaatbeleid om er net voor te zorgen dat de concurrentiekracht in de toekomst gevrijwaard blijft. Concreet houdt dat een stevige aanpassing van het huidige beleidskader in.

De blikvangers van die nieuwe aanpak vormen een transparant en inclusief transitiekader gebaseerd op een roadmap die de weg uittekent richting 2050 en de vervanging van de vrijwillige energiebeleidsovereenkomsten door een klimaatpact dat bedrijven toegang biedt tot een brede reeks bestaande en nieuwe steunmaatregelen, op voorwaarde dat zij zich inschakelen in de klimaattransitie op basis van de roadmap.

Debat in het parlement

Delen de beleidsmakers in het parlement en de regering die boodschap? De debatten in het Vlaams Parlement zijn daarvoor een goede graadmeter. Helaas blijven we op onze honger zitten. Kort samengevat schermen de ministers met klassieke dooddoeners om de kern van de discussie, namelijk of de vele overheidsmiddelen doelgericht en efficiënt worden ingezet voor klimaattransitie, te ontwijken. 

Zo is de daling van de uitstoot in absolute cijfers volgens minister Crevits “niet noodzakelijk een slechte zaak”, aangezien de hogere productie wijst op een grotere efficiëntie, een argument dat ook minister Demir naar voren schuift. Dit vormt echter de kern van het probleem: efficiëntiewinsten zijn welkom en noodzakelijk, maar ruim onvoldoende. Talloze expertenrapporten tonen dat aan, dus het debat louter voeren op basis van efficiëntiedenken is zinloos.

Indien efficiëntiewinsten gepaard gaan met extra productie, dan zijn zijn we tegen 2050 geen stap verder. Tegelijkertijd weten we dat radicale innovatie miljarden zal vergen, geld dat we vandaag blijven inzetten ter ondersteuning van fossiele en lineaire productie. We kunnen ons ook niet langer verschuilen achter het Europese emissiehandelssysteem, aangezien het prijssignaal ervan niet tijdig zal aanzetten tot een snelle omslag in productietechnieken en circulaire economie. 

Positiever is de verwijzing van minister Crevits naar de omgevingsanalyse en roadmapstudie naar een koolstofcirculaire en CO2-arme Vlaamse industrie, die momenteel loopt en aan het eind van de zomer wordt gepubliceerd. Dit werk is inderdaad van essentieel belang en vormt wellicht de noodzakelijke schakel om de toekomst van de industrie op een meer solide basis vorm te geven. Toch is ook daar een valse noot te bespeuren.

De industrie zelf behoort tot de stuurgroep van deze studie. Enerzijds zijn de bewuste sectoren nodig om toegang te krijgen tot de correcte gegevens, anderzijds is de kans reëel dat pistes die ingaan tegen belangen van de gevestigde waarden, zoals uitfasering van bepaalde grondstoffen, technieken en processen, niet verschijnen in de definitieve publicatie. Aangezien andere actoren louter geconsulteerd worden, is het onmogelijk om te achterhalen in welke mate dit effectief het geval is. 

Verdedigende reflex

De ministers verwijzen in hun antwoorden naar het versterken van de energiebeleidsovereenkomsten, zoals afgesproken in het regeerakkoord. Dat is niet de eerste keer, het blijft vooralsnog bij woorden, geen daden. Het is bovendien merkwaardig dat minister Demir de overeenkomsten (EBO’s) positief evalueert. Ze vormen geenszins een stimulans voor doorbraaktechnologieën, zoals we in ons rapport aangeven.

Idealiter vormt de nieuwe roadmapstudie de aanleiding om dit gebrekkige systeem om te vormen naar een klimaatpact. Minister Demir houdt het daarentegen bij het voornemen om de “ambitie [die door bedrijven] wordt getoond op het vlak van energie en klimaat […] te vatten in toekomstige EBO’s. Dat is een voortzetting van een vrijblijvende aanpak die vertrouwt op de goodwill van goedbedoelende bedrijfsleiders. De realiteit is echter dat we zonder een dwingender industrieel beleid terrein zullen verliezen aan onze buurlanden, die doortastender te werk gaan. 

We vernemen ook geen inhoudelijke repliek op de argumenten in ons rapport over de overcompensaties die aan de industrie worden gegeven, noch in welke mate deze middelen al dan niet doelmatig worden ingezet. Dat is teleurstellend, en een punt waar we in de toekomst onverrichterzake op zullen terugkomen. 

Kort samengevat herkennen we vooral een verdedigende reflex in de antwoorden van beide ministers. Nochtans zijn zij nieuw op dit terrein. Zij hebben geen directe eigen verantwoordelijkheid voor het gevoerde beleid van de voorbije decennia. Ze beschikken over de kans om een politieke nalatenschap van formaat op te bouwen, door te erkennen dat we een nieuw klimaatcompromis nodig hebben, en door een koerswijziging in te zetten. 

Later deze zomer en in het najaar, wanneer de roadmapstudie is gepubliceerd, gaan we dieper in op dit thema, in het bijzonder op de belangrijke details die in dit parlementair debat onaangeroerd of onbeantwoord bleven.

Zware industrie Arbeid & Milieu Greenpeace

Meer over Zware industrie