U bent hier

Schaf groenestroomcertificaten voor restafvalverbranding af

Persbericht Bond Beter Leefmilieu

donderdag 19 april 2012

"De toekenning van groenestroomcertificaten aan huisvuilverbrandingsovens is een milieuschadelijke subsidie die moet stopgezet worden.”

Dit is de centrale stelling uit het dossier over Groenestroomcertificaten voor restafvalverbranding dat Bond Beter Leefmilieu samenstelde. Een dossier dat zeer kritisch is voor de huidige regeling van groenestroomcertificaten in de sector van de huisvuilverbrandingsinstallaties. Bovendien zeer actueel nu de Vlaamse regering de regelgeving voor groenestroomcertificaten herziet.

Installaties die restafval verbranden krijgen in Vlaanderen momenteel steun in de vorm van groenestroomcertificaten voor energie die ze opwekken uit de verbranding van het biomassa-afval dat in het restafval aanwezig is. Het gaat om ongeveer 40 miljoen euro per jaar.

Opmerkelijk is dat het aandeel groene energie dat opgewekt wordt uit huishoudelijk restafval in Vlaanderen en waarvoor groenestroomcertificaten worden uitgereikt, veel kleiner is dan wordt aangenomen, zo stelt het BBL-dossier.

INEFFICIËNTE STEUN

Volgens de berekeningen van BBL is het aandeel van echt groene energie bij restafvalverbranding in werkelijkheid maar de helft van wat er feitelijk wordt aangerekend. Hierdoor ontvingen huisvuilverbrandingsinstallaties in 2010 maar liefst 20 miljoen euro onterechtesteun. Middelen die finaal voor rekening van de consument zijn. Een deel van de groenestroomcertificaten wordt dus in feite toegekend voor opwekking van grijze energie uit bijvoorbeeld kunststofafval dat in het restafval zit. Daar komt nog bij dat huisvuilverbrandingsinstallaties een lager energetisch rendement hebben vergeleken met installaties die afgestemd zijn op verbranding van biomassa-afval alleen.

Bovendien blijkt uit een recent rapport van VITO dat de toegekende steun aan restafvalverbrandingsinstallaties hoger ligt dan wat nodig is om de installaties rendabel te maken. Deze overbodige steun is dus directe winst voor de installaties. Het feit dat de financiën van gemeenten via de intercommunales gespijsd worden met inkomsten uit de verbrandingsinstallaties speelt hier ongetwijfeld een rol.

Groenestroomcertificaten voor verbranding van restafval betekenen dan ook een inefficiënte en deels onterechte inzet van middelen om hernieuwbare energieopwekking te bevorderen.

MILIEUSCHADELIJKE SUBSIDIE

Maar het probleem met groenestroomcertificaten voor restafvalverbranding is groter dan die inefficiënte en deels onterechte steun. Bond Beter Leefmilieu bestempelt de groenestroomcertificaten voor huisvuilverbrandingsinstallaties als “een vorm van milieuschadelijke subsidie”. Aangezien het steunmechanisme gebaseerd is op een vast percentage van de inkomende afvalstromen, ongeacht de fractie hernieuwbaar afval, is er een directe stimulans voor de installaties om meer restafval aan te trekken en de energieproductie te maximaliseren ten koste van emissiebeheersing. Dit zet recyclage van onder andere kunststofafval onder druk, en kan ertoe leiden dat inspanningen om emissies naar de lucht te vermijden afgezwakt worden.

ONTERECHT GROEN

Doordat de huisvuilverbrandingsinstallaties mee in het certificatensysteem zitten, kunnen ze zich ten onrechte profileren als producenten van groene stroom. Ze treden naar buiten als energiecentrales, terwijl ze dit niet zijn.

De verbrandingsinstallaties maken deel uit van een milieubeleid dat er op gericht is de negatieve impact van restafval in beperken zolang er geen andere oplossingen voorhanden zijn. De recuperatie van energie uit het verbrandingsproces is weliswaar een belangrijk gegeven, maar kan niet de bestaansreden zijn van de installaties.

VOORWAARDEN

Bond Beter Leefmilieu vraagt dat geen groenestroomcertificaten voor huisvuilverbrandingsinstallaties meer worden toegekend. Bond Beter Leefmilieu staat daarentegen achter de ondersteuning via groenestroomcertificaten om energierecuperatie uit selectief ingezameld biomassa-afval rendabel te maken, als voldaan is aan volgende voorwaarden:

1) voor elke selectief ingezamelde afvalstroom wordt een evaluatie gemaakt of energieopwekking de beste optie is in het kader van duurzaam materialenbeheer

2) verbranding gebeurt in specifieke installaties afgestemd op de stroom in kwestie; en

3) de energierecuperatie van de installatie haalt de hoogst mogelijke energetische efficiëntie.