Afvalplan durft geen juiste keuzes te maken | Bond Beter Leefmilieu

U bent hier

Afvalplan durft geen juiste keuzes te maken

Rob Buurman

donderdag 3 maart 2016

Tot 10 maart loopt een openbaar onderzoek voor het ‘Ontwerp Uitvoeringsplan voor huishoudelijk afval en bedrijfsrestafval’. Het plan geldt tot 2022 en zal een grote invloed hebben op de manier waarop de afvalinzameling en -verwerking in Vlaanderen gebeurt. Hoewel het plan grosso modo een positief effect zal hebben, durft het plan geen scherpe keuzes maken. Lees de visie van BBL in ons dossier over het afvalplan hier.

Trendbreuk

Een van de belangrijkste veranderingen in het afvalplan betreft de methodologie achter de huishoudelijke restafvaldoelstellingen op lokaal niveau. Gemeentes worden straks volgens de zogenaamde ‘Belfius-indeling’ gegroepeerd in clusters met vergelijkbare gemeentes. De achterblijvende gemeentes in iedere cluster moeten vervolgens op het niveau van de middelste presterende gemeente komen (= de mediaan). Tegelijkertijd mogen de beter presterende gemeentes niet verslechteren. De doelstelling verschilt dus per cluster, maar gemiddeld zal de jaarlijkse hoeveelheid restafval moeten dalen van 157 kg/inwoner naar 141 kg/inwoner ten opzichte van 2014. Dat is een daling van 10,2%. Voor het gelijkaardige bedrijfsafval voorziet het plan een daling van 15% tegen 2022 ten opzichte van 2013.

Daarnaast beslist het afvalplan dat de totale hoeveelheid huishoudelijk afval – dus niet enkel het restafval – niet mag stijgen. Rekening houdend met de bevolkingsgroei betekent dit dat tegen 2022 de gemiddelde Vlaming niet langer 522 kg maar maximaal nog 502 kg afval per jaar zou produceren; een daling van 3,8%.

Het is interessant om deze doelstellingen af te zetten tegen de ambitie die Vlaanderen heeft op het vlak van de circulaire economie. Zo zegt de Vlaamse Visienota dat tegen 2050 “de economie in Vlaanderen is geëvolueerd naar een circulaire economie, die haar natuurlijke hulpbronnen zo veel mogelijk hergebruikt.” Daarnaast heeft de directieraad van de OVAM voor 2050 als doelstelling geformuleerd om tegen die tijd geen afvalstoffen meer te storten of te verbranden. (OVAM, 20 september 2013.)

De vraag werpt zich op in hoeverre het afvalplan helpt om dat restafval tegen 2050 naar nul te krijgen. Trekken we de huidige ambitie (-10,2% over een periode van 8 jaar) op het vlak van huishoudelijk restafval door tot 2050, dan zitten we in 2050 jaarlijks nog altijd met 97 kilogram restafval per inwoner, terwijl een Italiaanse regio nu al laat zien dat 50 kg/inwoner haalbaar is. Het bedrijfsrestafval neemt harder af, maar alleszins nog te beperkt. Meer ambitie op het vlak van restafvalvermindering, zowel voor gemeentes als voor bedrijven, is hard nodig.

Deeleconomie en hergebruik

Het plan bevat een hoofdstuk dat toch wel sterk inzet op de rol die de deeleconomie kan spelen in het voorkomen van afval. Wanneer mensen producten met elkaar delen en daardoor niet onnodig nieuwe producten aankopen, leidt dat tot minder afval. Daarnaast is in overleg met de kringwinkels ook een nieuwe doelstelling voor het hergebruiken van afgedankte producten opgesteld, namelijk 7 kg/inwoner per jaar. De focus op de deeleconomie en het hergebruiken van producten, laat zien dat er een verdere verschuiving plaatsvindt van traditioneel afvalmanagement naar de preventie van afval.

Verpakkingen en hergebruik

Het systeem van Fost Plus dat de ophaling en inzameling van huishoudelijke verpakkingen organiseert, is niet meer van deze tijd. Zeer veel verpakkingen belanden nog altijd bij het restafval en worden niet gerecycleerd. Na jarenlang verzet, startte Fost Plus onlangs eindelijk met proefprojecten om de extra inzameling van een aantal plastics te organiseren.

Helaas toont het afvalplan maar weinig ambitie, zeker wat betreft plastic verpakkingen. We recycleren momenteel slechts 38,4% van deze verpakkingen, maar het afvalplan houdt vast aan de huidige doelstelling van 30%, die Fost Plus nu al met gemak haalt. Het Circular Economy Package (CEP) waar op Europees niveau over gesproken wordt, bevat een recyclagedoelstelling voor plastic verpakkingen van 55% tegen 2025. Zonder eigen ambitieuze doelstelling voor 2022, is het dan ook moeilijk vol te houden dat Vlaanderen nog altijd een koploper is.

Wij stelden eerder dat de recyclagecijfers van Fost Plus onbetrouwbaar zijn. De cijfers worden (onder meer) overschat ten gevolge van de zogenaamde freeriders (fabrikanten die niet zijn aangemeld bij Fost Plus), buitenlandse aankopen, procesverliezen die niet toegerekend kunnen worden aan recyclageverliezen en optellingen van metalen uit verbrandingsovens die niet afkomstig zijn van verpakkingen. Het nieuwe afvalplan zou een initiatief moeten bevatten om tot een betrouwbaardere rapportering van de cijfers te komen.

Tot slot verbaast het dat het afvalplan geen enkel initiatief onderneemt om meer herbruikbare verpakkingen te realiseren. Er valt nochtans een wereld te winnen, bijvoorbeeld bij drankverpakkingen in de winkel, bij de tassen die winkeliers verstrekken, bij de drinkbekers op festivals en de eenmalige koffiebekers die we enorm vaak terugzien op straat.

Uitgebreide producentenverantwoordelijkheid

In Vlaanderen vallen enkele organisaties onder het systeem van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV). Zij moeten de inzameling van specifieke producten organiseren, waaronder autobanden, batterijen, elektrische apparaten en verpakkingen. We denken dan aan beheersorganisaties zoals Recytyre, Bebat, Recupel, Fost Plus en VAL-I-PAC. Het eerdergenoemde CEP stelt nu dat deze organisaties alle kosten voor afvalbeheer moeten dekken voor de betreffende producten die in Europa op de markt worden gebracht.
Op dit moment betalen de beheersorganisaties vrijwel uitsluitend de kosten die samenhangen met de selectieve inzameling en de achterliggende recyclage. Maar wanneer de producten die onder de UPV vallen niet selectief worden ingezameld, dan worden de kosten daarvan ook niet betaald. De verbranding van verpakkingen in het restafval of de opruiming van verpakkingen in het zwerfvuil, worden betaald door de gemeentes en zijn dus eigenlijk voor rekening van de burger.

Dit systeem geeft de beheersorganisaties de perverse prikkel om niet meer in te zamelen dan de doelstellingen dicteren. Voor wat ze niet inzamelen hoeven ze immers niet te betalen. Daarom is de formulering van UPV in het CEP ook zo belangrijk. We moeten kiezen voor een systeem waarbij de beheersorganisaties er belang bij hebben om beter te presteren. Ook op dat vlak moet het afvalplan worden aangepast: de totale kosten voor het afvalbeheer van producten onder UPV moeten door de beheersorganisaties worden betaald.

Eindverwerking

Het plan hanteert een strakke capaciteitsplanning voor de verbranding van afval. Er mag geen overcapaciteit zijn en daarom zegt het plan dat het een “duidelijke capaciteitsgrens vastlegt voor afvalverbranding. Die ligt op het niveau van het reële aanbod afval.” Daarnaast beoogt het plan dat de verbrandingscapaciteit wordt afgebouwd in lijn met de vermindering van het restafval. Hoewel we het met deze principes volmondig eens zijn, ontbreekt er een methodologie in het plan die aangeeft onder welke voorwaarden installaties kunnen worden vergund.

Omdat Bond Beter Leefmilieu in de ontwikkeling van het afvalplan is geconsulteerd, hebben we ook gezien wat er in een eerdere versie stond. Daarin werd nog duidelijk aangegeven dat een installatie enkel kan worden vergund als het gemiddelde van het beschikbare aanbod van de laatste drie jaar (x, x-1 en x-2) minstens 50 000 ton hoger ligt dan de beschikbare capaciteit. Om toekomstig gekibbel te vermijden is het absoluut essentieel dat de OVAM nu in het afvalplan vastlegt onder welke voorwaarden een verbrandingsinstallatie kan worden vergund.

Terwijl er voor afvalverbrandingscentrales het principe van capaciteitsplanning wordt gehanteerd, is dat niet het geval voor stortplaatsen. Wij vragen expliciet om een moratorium op nieuwe stortsites, zoals dat ook stond in de vorige versie van het afvalplan. Net zoals voor verbrandingsovens, vragen wij ook hier weer om een duidelijke methodologie te hanteren voor de eventuele vergunning van extra capaciteit voor bestaande stortplaatsen. Wederom halen we aan dat het vorige plan hiervoor een methodologie bevatte en het is  essentieel dat we voorwaarden voor vergunningen vastleggen om onduidelijkheden te voorkomen.

Zwerfvuil

Het hoofdstuk over zwerfvuil is het zwakste element van het afvalplan. Het afvalplan bevat twee concrete doelstellingen ten aanzien van het zwerfvuil:

  • “De score van de netheidsindex voor de 3 slechtste doelplaatsen (nl. autostradeparkings, openbare vervoerplaatsen en afvalverzamelpunten) zal stijgen met minimaal 10% ten opzichte van 2014. Tegelijkertijd blijven we de andere doelplaatsen monitoren, die niet mogen verslechteren.
  • De totale hoeveelheid zwerfvuil op de grond daalt met 20 gewichtsprocent tov 2014. Concreet wil dit zeggen dat de totale hoeveelheid zwerfvuil op de grond in 2022 nog maximaal 14 000 ton mag bedragen (in vergelijking met 17 500 ton in 2014).”

De score van de netheidsindex wordt samengesteld door meerdere factoren. Dit betekent dat die score kan verbeteren zonder dat de hoeveelheid zwerfvuil concreet afneemt. Hoewel wij geen tegenstander zijn van het verbeteren van de netheidsindex, is het geen geschikte indicator om te bepalen of het zwerfvuilbeleid werkt.

De tweede doelstelling stelt voor om tegen 2022 20% minder zwerfvuil te realiseren in gewicht. Afhankelijk van het zwerfvuil dat concreet wordt voorkomen, kan het zo zijn dat 20% correspondeert met een lager of een hoger volume zwerfvuil. Het volume van het zwerfvuil is relevant omdat dat nou juist de indicator is die de hinder van het zwerfvuil het beste weet te vatten. Statiegeld zou het volume van het zwerfvuil met zo’n 40% weten terug te dringen en dat is dan ook de doelstelling die wij graag zouden terugzien in het afvalplan. Een doelstelling van 40% minder volume zwerfvuil is niet enkel zeer realistisch maar is ook veel ambitieuzer omdat het qua percentage twee keer zo hoog ligt als de gewichtsdoelstelling en omdat het focust op volume in plaats van gewicht.

Verder hebben wij weinig vertrouwen in de aanpak. Het is de bedoeling om het zwerfvuil op de grond met 20% te laten dalen ten opzichte van 2014. Het probleem is dat de studie uit 2014 geen rekening hield met seizoens- en weersfactoren, die een grote invloed hebben op de metingen. De studie valt dan ook niet op een goede manier te reproduceren. Er moet daarom een nieuwe nulmeting worden uitgevoerd, zoals wij eerder ook al hebben gezegd. Daarbij, door fenomenen zoals ‘lightweighting’ neemt de massa van het zwerfvuil sowieso al af, terwijl het niet minder storend wordt. Gewicht is dus een te beperkte indicator.

Zwerfvuil & statiegeld

Het hoofdstuk over zwerfvuil vermeldt dat in 2018 wordt geëvalueerd of een voldoende positieve trend in de afname van het zwerfvuil is ingezet. Indien dat niet het geval is, worden bijkomende maatregelen, waaronder statiegeld, overwogen. Buiten dat het afvalplan niet duidelijk is over wat precies ‘een voldoende positieve trend’ is, gaat dit ook lijnrecht in tegen wat minister Joke Schauvliege herhaaldelijk in de media heeft verkondigd. Volgens haar wordt statiegeld namelijk in 2018 ingevoerd en wordt daar enkel van afgeweken wanneer het zwerfvuil significant afneemt. De logica van het afvalplan is dus volledig omgekeerd met die van de minister. Het afvalplan moet worden aangepast om de invoering van statiegeld in 2018 te kunnen realiseren.

Stuurgroep zwerfvuil

Het afvalplan kent een unieke rol toe aan de Stuurgroep Zwerfvuil. De samenstelling van die stuurgroep is onlangs tussen overheid en industrie bepaald in het ‘Zwerfvuilakkoord’. Vertegenwoordigers van Comeos, Fevia, Fost Plus, de OVAM, het kabinet van minister Schauvliege en VVSG krijgen ieder een zitje in de stuurgroep.

Het afvalplan stelt dat de Stuurgroep Zwerfvuil betrokken zal zijn bij de evaluatie van de zwerfvuildoelstellingen zoals geformuleerd in het plan. Dit betekent dat de industrie volgens het afvalplan zijn eigen inspanningen mag evalueren. Dit is onacceptabel. Het afvalplan zou een strikte scheiding moeten hanteren tussen het operationele vlak waar een taak is weggelegd voor de industrie en het bepalen en evalueren van de doelstellingen, wat volledig in handen moet liggen van een onafhankelijke partij.

Een tweede bedenking is dat de Stuurgroep Zwerfvuil onevenwichtig is samengesteld. De industrie heeft overduidelijk de overhand in de stuurgroep. Daarnaast is BBL hiervoor niet uitgenodigd. Als de federatie van meer dan 170 milieuverenigingen en overduidelijk een stakeholder in deze kwestie niet welkom is, dan schept dat niet veel vertrouwen.