Klimaatzaak Nederland: belangrijk juridisch precedent | Bond Beter Leefmilieu

U bent hier

Klimaatzaak Nederland: belangrijk juridisch precedent

Erik Grietens

vrijdag 26 juni 2015

De overwinning in de Nederlandse klimaatzaak is niet alleen een belangrijk maatschappelijk signaal, ook puur juridisch is dit een waardevol precedent. Er werd tot nu toe immers van uitgegaan dat het grondrecht van een gezond leefmilieu niet rechtstreeks door burgers bij een rechtbank kan worden afgedwongen. Dat kan pas als dat grondrecht is omgezet in bindende Europese richtlijnen of nationale wetten. De Nederlandse rechter oordeelde echter dat net door het uitblijven van wetten of bindende maatregelen, de overheid nalatig is geweest.

Zorgplicht

Door juristen werd vooraf sterk getwijfeld aan de juridische haalbaarheid van de klimaatzaak. De rechtszaak is immers gebaseerd op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat voorziet in de bescherming van de gezondheid, en op de Nederlandse grondwet, die stelt dat de overheid moet zorgen voor “de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu”. Die grondrechten zijn eerder algemene en vage bepalingen, niet zo concreet en meetbaar als bijvoorbeeld normen voor lucht- of waterkwaliteit.

Nederlandse regering is nalatig

Volgens Urgenda - de groep die de overheid voor de rechter daagde - komt de Nederlandse regering die zorgplicht voor de bescherming van het leefmilieu niet na, omdat het CO2-emissieniveau in 2020 hoger ligt dan wat de wetenschappers van het IPPC nodig achten om de klimaatopwarming onder de 2 graden Celsius te houden. Daardoor draagt de Nederlandse staat bij aan het mede-veroorzaken van een gevaarlijke klimaatverandering, stelt Urgenda. Ook al is de reductie van CO2-emissies niet wettelijk vastgelegd, het wetenschappelijk onderzoek van het IPPC toont duidelijk aan dat het huidige beleid niet volstaat. Volgens de wetenschappers is een reductie van 25 tot 40 procent nodig in 2020, terwijl Nederland met het huidige beleid uitkomt bij slechts 17 procent.

De Nederlandse regering verdedigde zich zoals verwacht met het argument dat er geen nationale of internationale rechtsnormen bestaan die de Staat verplichten om de door Urgenda gevraagde reductiedoelstellingen te halen. Er bestaat inderdaad geen bindende Europese richtlijn of een Nederlandse wet die oplegt hoe groot de reductiedoelstelling voor Nederland exact moet zijn.

Tot nu toe werd in de rechtspraak van uitgegaan dat het grondrecht over de bescherming van het leefmilieu pas voor de rechtbank afdwingbaar wordt nadat het is omgezet in bindende wetgeving. De Nederlandse rechter oordeelde in de klimaatzaak echter dat door de ernst van de gevolgen van klimaatverandering op de Staat een zorgplicht rust om noodzakelijke reductiemaatregelen te treffen. Net door het uitblijven van wetten of bindende maatregelen, is de overheid nalatig en komt ze haar zorgplicht voor de bescherming van het leefmilieu niet na, oordeelt de rechter. Omdat volgens de huidige stand van de wetenschap een reductie van minimaal 25 procent noodzakelijk is, is dat het cijfer dat de rechter oplegt aan de Nederlandse overheid.

Sterk onderbouwd vonnis

Verder argumenteerde de Nederlandse regering dat het niet aan een rechtbank is om te bepalen hoe het beleid van de regering er moet uitzien. Dat gaat in tegen de scheiding der machten. Ook zou volgens de regering de onderhandelingspositie van de Staat in de internationale politiek worden geschaad. Tot slot stelt de overheid dat een klein land als Nederland in mondiaal opzicht maar een zeer kleine bijdrage levert aan de klimaatverandering.

De rechter gaat hier niet mee akkoord. Doordat de overheid geen rekening houdt met de minimale doelstelling volgens de wetenschap, overtreedt de staat haar zorgplicht. Daarom legt de rechter enkel een minimale doelstelling van 25 procent reductie op. Het is dan aan het beleid om al dan niet te beslissen om verder te gaan, bijvoorbeeld tot 40 procent reductie. De beleidsvrijheid blijft bestaan, waardoor dit vonnis niet ingaat tegen de scheiding der machten. De rechter onderbouwt dit ook met het voorzorgsbeginsel: dat stelt dat er niet gewacht moet worden op volledige wetenschappelijke zekerheid vooraleer de overheid maatregelen moet nemen om het milieu te beschermen.

De rechter verwijst in zijn vonnis verder naar het preventiebeginsel en het billijkheidsprincipe. Het preventiebeginsel stelt dat voorkomen beter is dan genezen. Specifiek voor klimaatverandering moet daarom ingezet worden op de noodzakelijke reductie van broeikasgassen, in plaats van nadien de gevolgen van klimaatverandering - zoals overstromingen, verdroging, hitte-eilanden,... -  op te moeten lossen. Er is bovendien voldoende onderzoek dat aantoont dat het veel goedkoper is om nu in te zetten op het terugschroeven van broeikasgassen dan om later de schade te moeten herstellen.

Het billijkheidsprincipe stelt tot slot dat de welvarende, geïndustrialiseerde landen het engagement hebben aangegaan om een groter deel van de noodzakelijke reducties op zich te nemen dan ontwikkelingslanden. Een welvarend land als Nederland mag volgens de rechter zijn verantwoordelijkheid voor de klimaatverandering dan ook niet afschuiven op de rest van de wereld.

Dat alles samen maakt dat de Nederlandse regering haar plicht om te zorgen voor de bescherming van het leefmilieu niet is nagekomen. En daarom is de rechter verplicht om aan de overheid een reductie van 25 procent op te leggen. Met dit stevig onderbouwde en uitgebreid geargumenteerde vonnis is recht geschied.

Wat met de Belgische klimaatzaak?

In de Belgische Grondwet is de bescherming van een gezond leefmilieu net als in Nederland opgenomen als een grondrecht. Maar ook bij ons is dat grondrecht niet rechtstreeks afdwingbaar via de rechtbank en moet het eerst geconcretiseerd worden in wetten, decreten of besluiten. Hoewel verschillende milieuverenigingen al geprobeerd hebben om het grondwettelijk recht op een gezonde leefomgeving in te roepen als juridische grond om een bepaalde overheidsbeslissing ongedaan te maken, werd daar tot nu toe nog door geen enkele rechtbank op ingegaan.

Wel oordeelde het Grondwettelijk Hof al meermaals dat dit grondrecht een ‘standstill-verplichting’ inhoudt, wat wil zeggen dat de overheid geen wetten of decreten mag uitvaardigen waardoor het huidige beschermingsniveau achteruit gaat. De vraag is nu of de rechter ook bij de Belgische klimaatzaak zal oordelen dat het bestaande beschermingsniveau vermindert door het uitblijven van wetgeving en bindende maatregelen. Is er sprake van nalatigheid? De Nederlandse klimaatzaak is alvast hoopgevend.

> Het Nederlandse arrest