Reeks milieubewust wonen in Vlaanderen | Bond Beter Leefmilieu

U bent hier

Reeks milieubewust wonen in Vlaanderen

Erik Grietens

maandag 13 mei 2013

Een juiste woonfiscaliteit

Vlaanderen krijgt er door de staatshervorming een aantal nieuwe fiscale bevoegdheden bij. Zo wordt de woonbonus (de fiscale aftrek) een Vlaamse bevoegdheid. Het is een uitgelezen kans om via een eigen Vlaamse fiscaliteit te sturen naar een meer duurzame ruimtelijke ordening en een meer duurzaam woonpatrimonium. De Vlaamse overheid kan de woonbonus inzetten om kernversterking en stedelijk wonen te stimuleren, betaalbare kwalitatieve woningen aan te bieden, het woonpatrimonium zo efficiënt mogelijk te benutten, om energiezuinigheid, renovatie en collectieve woonvormen te stimuleren. Wie duurzame keuzes maakt, krijgt meer ondersteuning of een grotere belastingsaftrek. In combinatie met promotie- en bewustmakingscampagnes (bv. over wonen in de stad) kan een hervorming van de financiële en fiscale instrumenten zorgen voor de beoogde mentaliteitswijziging.

We constateren dat de woonfiscaliteit vandaag het wonen in de stad benadeelt. Wonen in de stad is duur. Om belastbare inkomsten uit een onroerend goed vast te stellen, wordt vertrokken van het kadastraal inkomen. Dit inkomen wordt forfaitair geschat aan de hand van schalen vastgelegd op basis van de huurwaarde van de vastgoedmarkt in 1975. Deze KI’s zijn toen berekend, gebaseerd op de kenmerken van de woning zelf (grootte, comfort…) en op de al dan niet centrale ligging, en nooit herzien. Daardoor liggen de KI’s in de stad heel wat hoger dan op het platteland. Bovendien liggen ook de opcentiemen op de onroerende voorheffing in de stad hoger, omdat stedelijke overheden meer kosten hebben om hun centrumfuncties in te vullen. Om het wonen/renoveren/bouwen in stadsbuurten een extra stimulans te geven, kan het KI worden herzien en kan de onroerende voorheffing op basis van dit KI worden bijgesteld.

Een andere mogelijkheid om woonbelastingen eerlijker te maken en het een meer sturend effect toe te kennen, is de onroerende voorheffing niet meer berekenen op basis van het KI, maar op basis van een andere parameter: bijvoorbeeld het verschil tussen een “objectieve” huurprijs (te bepalen per typewoning, per wijk en rekening houdend met de energieprestaties…) en de werkelijk aangerekende huurprijs. Op die manier stuurt deze heffing eigenaars in de richting van maatschappelijke gewenste beslissingen.

Dit kan door de fiscale en financiële instrumenten afhankelijk te maken van de locatie en de woningtypologie (oppervlakte). Zo kan voor woningen die gelegen zijn in de bebouwde kom een grotere belastingaftrek (woonbonus), huiskorting of hogere (energie- en renovatie) premies voorzien worden. Voor afgelegen woningen in de open ruimte moeten dan meer belastingen betaald worden. De reële maatschappelijke kostprijs (voor riolering, mobiliteit, voorzieningen, energie, …) weegt zo sterker door.

De instrumenten kunnen ook ingezet worden om woningwissels of verhuisbereidheid te stimuleren. Zo wordt het voor ouderen waarvan de kinderen het huis uit zijn interessanter om naar kleinere woningen te verhuizen of naar een buurt waar meer voorzieningen aanwezig zijn.