Het convenant der stilstand | Bond Beter Leefmilieu

U bent hier

Het convenant der stilstand

Laurens De Meyer

Vandaag wordt het convenant ‘enterische emissies’ voorgesteld door minister Van den Heuvel. In dit niet bindend akkoord worden afspraken gemaakt tussen de landbouwsector en de overheid om de methaanuitstoot van de rundveeteelt te reduceren. Of deze convenant de broeikasgasuitstoot ook daadwerkelijk zal reduceren is nog maar de vraag. 

Goed nieuws

Met dit convenant treden vooral de landbouworganisaties voor het eerst uit de donkere schaduw der ontkenning. Door het afsluiten van deze convenant erkent de sector de zware impact van herkauwers op onze broeikasgasuitstoot. De Vlaamse rundveestapel is verantwoordelijk voor 89% van de totale enterische emissies. Dat dit expliciet wordt benoemd is een goeie zaak. Ook het engagement om deze uitstoot met 19% te verminderen tegen 2030 is op zich een sterk signaal.

En dan nu het slechte

Daarmee is al het goeie nieuws helaas verteld. Voor het overige blinkt het convenant uit in onduidelijkheid, een gebrek aan realiteitszin, soms werkt het zelfs op de lachspieren. Om te beginnen is het ontstaan van deze convenant in geheimzinnigheid gehuld. Het departement omgeving, verantwoordelijk voor het uitwerken en opvolgen van de regelgeving rond klimaat, is niet geconsulteerd. Ook de milieubeweging kreeg niet de kans zich over dit convenant uit te spreken. Het kwam tot stand door een een-tweetje tussen landbouworganisaties en het ministerie van landbouw.

Zo sluipt het corporatisme ook binnen op het kabinet van de pas benoemde minister Van den Heuvel. Ondanks de niet te ontkennen stijlbreuk die de minister vertoont met zijn voorganger, bedient hij zich in deze van de klassieke recepten: een bijeen gekonkelfoesde regeling op maat van de sector. Maatschappelijk draagvlak of een evenwicht tussen milieu en landbouw lijkt van geen tel. Zelfs de overige meerderheidspartijen worden met dit convenant vrolijk voorbij gefietst. Net op een thema dat zo’n grote publieke aandacht heeft, het klimaatbeleid overleveren aan de sector die moet gestuurd worden, valt niet te begrijpen. 

Magere dikbil

De inhoud van de convenant oogt als de smaakloze steak van een dikbilrund: mager. Er worden vijf werkgroepen opgericht. Daarbij kiest men voor dezelfde recepten als 7 jaar geleden. Ook in het Vlaamse klimaatbeleidsplan van 2013 werd ingezet op innovatie en voederadditieven. Het resultaat? Een stijging van de methaanuitstoot met 4%. Of deze werkgroepen echt iets zullen bijbrengen is maar de vraag, het lijkt er eerder op dat we opnieuw zes kostbare jaren gaan verliezen.

Ook deze termijn van zes jaar is frappant. De eerste evaluatie is pas voorzien in 2025. Het convenant lijkt niet meer dan een levensverzekering voor de landbouworganisaties om minstens voor zes jaar de veestapel, en zijn negatieve klimaat- en milieu impact, in stand te houden. De omvang van de rundveestapel wordt zo tot minstens na de volgende regering geblokkeerd. Ook al is de convenant niet bindend, het geeft de landbouworganisaties wel een geslepen zwaard om mee te schermen bij de volgende minister van landbouw en omgeving. 

Op lange termijn zijn de landbouwers zelf hier het grootste slachtoffer van. Als tegen 2025 de broeikasgasuitstoot niet is gedaald, dan betalen zij cash de rekening, en zal de veestapel snel moeten krimpen. Dit korte termijndenken kan leiden tot economische en sociale drama’s binnen de veeteeltsector. Wat de sector nodig heeft is een strategisch plan dat uitzet hoe de veestapel tegen 2030 op een verantwoorde manier kan worden afgebouwd. Ook wetenschappelijke innovatie heeft hierin zijn plaats, zij het een realistische en samen met een systeemaanpak. 

Meten voor gevorderden

Het toevoegen van een additief aan het voeder kan wel degelijk de broeikasgasuistoot een deeltje reduceren. Maar hoe volg je dit op? Nagaan of elke individuele koe voldoende van dit additief op dagelijkse basis binnenspeelt is onmogelijk. Dure additieven verplichten voor een sector die het economisch al moeilijk heeft, zet ook de deur open voor fraude. Deze maatregelen zijn te vergelijken met het mestbeleid. Er worden beloftes gemaakt en regels opgesteld. Deze blijken niet of onvoldoende te worden gerespecteerd en gecontroleerd. Gevolg: onze waterkwaliteit boert de laatste jaren terug achteruit. Het echte probleem, de disproportioneel grote veestapel, blijft buiten schot. Dit convenant effent de weg voor een identieke aanpak van de klimaatproblematiek binnen de rundveeteelt. 

Lock-in

De voorgespiegelde maatregelen zijn louter technisch. Hoe realistisch dit is voor een sector waar het gemiddelde landbouwinkomen reeds voor 80% uit subsidies bestaat is nog maar de vraag. Investeringen hierin vergroten ook de financiële lock-in. Dat dit probleem alom tegenwoordig is, kaartte Voedsel Anders recent nog uitgebreid aan in zijn memorandum. Onze rundveetelers hebben net nood aan een beleid dat hen de weg wijst uit deze impasse, in plaats van het te versterken. Een convenant om de sector op weg te helpen richting duurzame, toekomstgerichte bedrijfsmodellen hebben we nodig. Geen convenant dat het status quo in de hand werkt. 

Geen consument te zien

De meest kwalijke passage is deze die ronduit ontkent dat we consumptiegedrag moeten aanpassen. In vrij omfloerste bewoording roept het convenant op om onze vleesconsumptie gewoon aan te houden. Hiermee druist het convenant in tegen een rationele aanpak van de uitdagingen voor de veehouderij. Het MIRA kwam vorig jaar nog tot de conclusie dat de grootste milieuwinst te halen valt door consumenten aan te zetten tot een gematigde vleesconsumptie. Ook op de realiteit op vlak van gezondheid wordt volledig genegeerd: 89% van de Vlamingen eet nog steeds meer vlees dan maximaal wordt aangeraden. Van een coherente aanpak doorheen beleidsdomeinen is dus geen sprake. 

Eiwitconvenant

Waar we als maatschappij nood aan hebben is een eiwitconvenant. Hierin gaat de overheid op zoek naar de juiste balans tussen dierlijke en plantaardige eiwitten. De veestapel wordt afgestemd op de draagkracht van ons ecosysteem. Zo vervullen onze dieren ecologisch zinvolle functies: valoriseren van grasland en reststromen. Het overige deel van onze eiwitten komt uit plantaardige producten. De landbouwsector wordt hierin de belangrijkste betrokken partij. Ze lijken het soms zelf te vergeten, maar we hebben landbouwers niet alleen nodig voor het houden van dieren. Het voorzien van voldoende plantaardige voeding komt eveneens voort uit landbouw. De primaire sector kan zo optimaal meesurfen op het succes van deze transitie waarbij nieuwe, duurzame bedrijfsmodellen ontstaan. 

Er waren eens een handvol herten

Afsluiten doen we met een goeie mop. In het convenant worden wilde herkauwers ook als probleem gedefinieerd. U weet wel, die grote populaties herten die de gigantische Vlaamse wouden bevolken. De realiteit is anders. Wilde herkauwers maken met moeite twee procent uit in vergelijking met de in Vlaanderen gekweekte dieren. Herten zijn deel van een natuurlijk ecosysteem dat veel meer koolstof vast legt dan het broeikasgassen uitstoot. Toch kunnen de auteurs van het convenant niet aan de verleiding weerstaan om deze wilde herkauwers onterecht enkele keren met de vinger te wijzen. Het getuigt van een prachtig staaltje surrealisme. In Vlaanderen zal het klimaatbeleid er nog eerder toe leiden dat men herten afschiet, dan de veestapel aanpakt.

Dit artikel draagt bij aan volgende duurzame ontwikkelingsdoelen:

Laurens De Meyer

Beleidsmedewerker voeding en landbouw

Als industrieel ingenieur in de voedingsindustrie legt Laurens in toegankelijke taal uit wat er gebeurt met je eten voor het op je bord komt en welk effect de landbouw heeft op onze omgeving.

Ontvang InZicht

Wekelijks onze kijk op de milieu-actualiteit